Toch wel “faya' voor Van Gogh

Elk jaar is er in januari gedoe over de Cito-eindtoets. Meestal gaat het over het overdreven belang dat middelbare scholen, en in hun kielzog de ouders, zouden hechten aan de individuele scores van de kinderen. Dit jaar kregen de (voornamelijk zwarte) basisscholen in de grote steden er van langs; die bleken hun gemiddelde scores flink op te krikken door hun slecht presterende leerlingen niet aan de eindtoets te laten meedoen. Verontwaardiging alom. Kamervragen. En het antwoord van de minister: ik laat het onderzoeken.

Thorbecke college in Utrecht Foto Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

Jammer dat in januari het nieuwe boek van leraar/journalist Kees Beekmans nog niet uit was. Het had al die rood aangelopen brievenschrijvers en vragenstellers kunnen laten zien dat ze allemaal gelijk hebben: nee, het is inderdaad geen goed idee om kinderen die al moeite hebben met het lezen van de vragen, lastig te vallen met drie ochtenden toetsen maken. En ja, haal ze er wel bij, want ze hebben toch al permanent het gevoel dat wij hen te dom vinden en liever kwijt dan rijk zijn. Maar wat vooral duidelijk wordt, is dat het probleem in ieder geval niet is op te lossen met het al dan niet verplicht stellen van een uniforme Cito-eindtoets.

In zijn gebundelde columns De jeugd van tegenwoordig. Nieuwe verhalen uit de zwarte klas laat Beekmans, leraar Nederlands, de lezer kennis maken met enkele scholieren als Khalid, Hakima, Faouzi en nog een handjevol andere allochtone namen; leerlingen op zijn praktijkschool in Amsterdam-West. Ze zitten daar omdat ze op geen enkele andere school mee kunnen komen - het gemiddelde IQ op een praktijkschool is 70, schrijft Beekmans.

Die leerlingen zitten er dus niet omdat ze allochtoon zijn, al denken ze zelf van wel. “Dit is een school waarop wij, Nederlanders, buitenlanders wegstoppen', verwoordt Beekmans de gevoelens van de Marokkaanse Hakima. En even verderop die van Hafida, ook Marokkaanse: “Nederlanders zoeken voor zichzelf een goede school en ons sturen ze naar een slechte school.'

De kracht van Beekmans' verhalen over deze kinderen schuilt voor een belangrijk deel in het feit dat je op zo'n moment denkt: en ze heeft nog volledig gelijk ook. De wereld van de zwarte praktijkscholen (zwart omdat ze nou eenmaal in Amsterdam-West, of Rotterdam-Zuid staan) staat mijlenver van ons af en Kees Beekmans maakt waar wat hij in zijn voorwoord schrijft: “Het minste wat we kunnen doen is deze kinderen leren kennen. Daarvoor is dit boek bedoeld.'

Beekmans verwoordt prachtig de tegenstrijdige gevoelens van zijn leerlingen na de moord op Theo van Gogh. De Marokkaanse Hafida zegt eerst provocerend dat ze de moord helemaal niet erg vindt, dat ze thuis naar buiten zijn gegaan om te dansen toen ze het hoorden. Beekmans gelooft haar niet: “En toch, als ik gewoon naar Hafida blijf luisteren, als ik af en toe knik om haar te laten merken dat ik haar gehoord en begrepen heb en niet begin tegen te sputteren dan keert Hafida na verloop van tijd vanzelf terug tot zichzelf, of liever tot een ander deel van zichzelf, dat er ook is. Dan wordt ze rustiger en zegt ze, met een stem die veel zachter klinkt: “Mijn moeder zei is toch wel faya (klote) voor hem“.'

De verhalen uit De jeugd van tegenwoordig zijn eerder als columns verschenen in de Volkskrant en De Groene Amsterdammer. Het is een tweede bundeling, in januari 2005 verscheen al Een hand kan niet klapt, de neerslag van ruim tien jaar leservaring op verschillende zwarte scholen. De reden van deze snelle tweede uitgave is vermoedelijk dat KeesBeekmans inmiddels ontslag nam als leraar; op dit moment doet hij in De Groene Amsterdammer en de Volkskrant verslag van zijn “inburgering' in Marokko.

In De jeugd van tegenwoordig laat Beekmans af en toe doorschemeren waarom hij is gestopt, zonder er al te diep op in te gaan. Een paar keer uit hij zich kritisch over de directie van zijn oude school: zij hebben weliswaar een praktijkschool opgericht, maar willen geen geld besteden aan faciliteiten om de leerlingen daadwerkelijk iets praktisch te laten doen.

Aan de andere kant weet Beekmans zelf eigenlijk ook niet zo goed wat hij met de kinderen moet beginnen. Hij noemt zichzelf een leraar die met boeken wil werken, terwijl zonneklaar is dat het verspilde moeite is om deze leerlingen met theoretische kennis op te zadelen. Het gevolg is dat ook hij de kinderen eigenlijk weinig te bieden heeft. Aandacht, dat wel, en begrip ook. Je kunt het zelfs liefde noemen. Maar of dat genoeg was?

Kees Beekmans: De jeugd van tegenwoordig. Nieuwe verhalen uit de zwarte klas. L.J. Veen, 174 blz. euro 16,90.

    • Marlies Hagers