Overgelaten aan pulkend publiek

Vochtdoorslag, vorstschade, versuikering, patinaverlies, oxidatie, corrosie, rietrot, schimmel, vogelpoep, algen, mossen en graffiti. Hoe slecht is het gesteld met de buitenbeelden en de historische gebouwen in Nederland? Een wandeling door twee museumtuinen.

De ‘Iglo di pietra’ van Mario Merz in de tuin van het het Kröller Müller museum foto’s Flip Franssen Nederland, Arnhem, 13-2-2006 Buitenbeelden in de tuin van het het Kroller Muller museum Foto: Flip Franssen, NVF, 024-3238442 beeldhouwkunst beeldentuinen Musea kunst Franssen, Flip

Achter in de tuin van het Kröller-Müller Museum op de Hoge Veluwe liggen achttien houten mannen op hun rug in het gras. De beeldengroep is een kunstwerk van Tom Claassen. De mannen zijn bedekt met mos en fel oranje gekleurde schimmels. Gevaarlijk, want het mos en de schimmels voeden zich met het materiaal. Toch maakt het museum zich geen zorgen. Van de beelden wordt zelfs verwacht dat ze vergaan, dat is een belangrijk deel van het kunstwerk.

“Ze zijn geïmpregneerd voor ze in 2000 geplaatst zijn“, vertelt Sanneke Stigter, de restaurator van het museum. Het verval duurt daardoor langer, maar wordt niet tegengehouden. En de aantasting is behalve schadelijk vooral erg mooi. Stigter: “Als je ze schoon zou maken, zou je het gewenste patina verliezen en krijg je een soort Ikea-poppen.“

Spleetcorrosie

De schepen bij het Scheepvaartmuseum en Zuiderzeemuseum worden bedreigd door rot, krimp en uitzetting terwijl de touwen en zeilen verteren. In de tuin van het Rijksmuseum staat een achttiende-eeuwse marmeren keizerskop te versuikeren. De ijzeren hekken bij Paleis het Loo vertonen spleetcorrosie en veel bronzen sculpturen krijgen te maken met zoutuitbloei. Het onlangs verschenen rapport Buitenstaanders van de Inspectie Cultuurbezit gebruikt alarmerende taal. De voornaamste conclusie is dat buitenobjecten in veel musea niet de aandacht krijgen die ze behoeven.

De reactie van Evert van Straaten, directeur van het Kröller-Müller Museum is kort: “Wij doen heel veel, maar ook een heleboel niet. Als verval een deel van het concept is, dan zijn wij voor verval.“ Dat dit verval in sommige gevallen kan leiden tot de eindigheid van beelden, neemt hij voor lief. Van Straaten: “Mijn standpunt is dat elk kunstwerk eindig is.“

Arjen de Koomen, auteur van het rapport Buitenstaanders bevestigt dat. “Natuurlijk zijn dit geen voorbeelden van hoe slecht Kröller-Müller met zijn buitenbeelden omgaat. Wel van hoe ingewikkeld en divers het behoud is.“

Een van de kunstwerken uit de beeldentuin van Kröller-Müller is WD-Spiral Part One CINEMA van Hermann Maier Neustadt. De ovalen tunnel van groene polyester platen op metalen poten ligt hoog op een heuvel. Bezoekers mogen er doorheen lopen. Bij de aankoop wist het museum dat dit werk was gemaakt om één seizoen buiten te staan. Van Straaten: “Toch wilden wij het graag kopen. Wij vroegen de kunstenaar een versie te maken die langer houdbaar is. Maar het blijkt toch niet sterk genoeg te zijn. Het publiek maakt het kapot door op de ronde zijkanten te gaan staan. Als de suppoost niet oplet, trapt de hele schoolklas er doorheen.“

De aankoop en eerste restauratie/aanpassing van WD-Spiral Part One CINEMA bedroeg voor het museum 46.800 euro. De begroting voor de volgende restauratie is nog niet rond. De strijd tegen het verval is dus een zeer kostbare post. Al bij de aanschaf van een kunstwerk moet rekening worden gehouden met de mogelijke onderhoudskosten. Van Straaten: “Het bewustzijn daarvan wordt steeds groter. Keuzes zoals de Maier Neustadt kun je niet te vaak maken.“

Levenscyclus

De buitenobjecten in het Openluchtmuseum in Arnhem zijn huizen en gebouwen. Als historische panden in Nederland aan het eind van hun levenscyclus zijn en in hun bestaan bedreigd worden, kunnen ze aangekocht worden door het museum. Inherent aan deze aankopen is dat restauratie en achterstallig onderhoud kostbaar zijn. Een half jaar geleden maakte het museum een inventarisatie van de kosten voor het achterstallige onderhoud en het lopende onderhoud. En hoewel de kosten daarvan verrassend genoeg binnen het besteedbare budget bleven, liet het benodigde geld lange tijd op zich wachten.

Conservator Leendert van Prooije van het Openluchtmuseum is daarom erg blij met het rapport Buitenstaanders. “De noodzaak aandacht aan buitenobjecten te geven wordt nog eens extra onderstreept.“ Het rapport benadrukt dat het belangrijk is het periodieke onderhoud op basis van reële kosten te begroten. In de conclusie schrijft de Inspectie Cultuurbezit: “In sommige gevallen schieten de huidige budgetten van de musea voor onderhoud tekort. Uitstel van onderhoud, hiervan het mogelijke gevolg, brengt extra kosten met zich mee. De staat, eigenaar van deze objecten, zou daarom met extra financiering mogen komen. Het is een goed idee om voor de categorie buitenstaanders een apart fonds, een klein Deltaplan, in het leven te roepen. Musea worden zo gestimuleerd om achterstallig onderhoud in te halen en nieuwe onderhoudsplannen op te zetten.“

Op het Arnhemse museumterrein staat in een hoek van een weiland een witte molen omringd door hoge bomen. Daardoor is de atmosfeer vochtig en begint het mos op de boomstammen ook de molen te bedekken, die er een groenig laagje door krijgt. Bovendien krijgt de wind door diezelfde bomen geen vat op de molen. “En van een molen die stilstaat, weet je zeker dat hij snel vervalt“, zegt Van Prooije.

Verderop staat een van de pronkstukken van het museum: het Drentse Los Hoes uit 1700. Van Prooije: “Het Los Hoes is indertijd aangekocht voor 1.400 gulden. Het ging daarbij, voorzover ik kan nagaan, om de aankoop van het gebouw. De totale kosten van het demontage-, transport- en herbouwproject werden indertijd geschat op vier- à vijfduizend gulden.“

Onlangs is de boerderij volledig gerestaureerd. De houten fundering is gedeeltelijk vervangen, het rieten dak is nieuw gedekt en de lemen wanden zijn opnieuw gestuukt. Een ingrijpende restauratie, wat heeft dat in totaal gekost? Van Prooije: “Omdat we op dit moment nog niet met de gewenste planmatigheid werken, weet ik de precieze kosten van de totale restauratie niet. Ik schat dat het gaat om circa 70.000 euro.“ De boerderij ziet er schitterend uit, maar als je goed kijkt zie je dat er naast de deur in het lemen vakwerk onlangs slordig een ster is gekrast. Soms zijn naast vocht, verzakking of vreetgraag ongedierte of vallende takken die daken doormidden klieven, ook de bezoekers de boosdoeners.

De vraag is bij zo'n ingrijpende verbouwing wel in hoeverre kan worden nagestreefd dat het object “origineel' blijft. Authentiek gedekt riet is in zekere mate authentiek, ook als dat in 2004 is gedaan. Van Prooije: “Vroeger was het doel om de archetypische bebouwing te laten zien. Dat is bijna hetzelfde als illusies laten zien. We streven er nu naar zo lang mogelijk de vorm intact te houden waarin we een gebouw op de oorspronkelijke plaats aantreffen, maar soms kun je niet anders dan dingen vervangen.“

Windgevoelig

Hoe ver je kunt gaan om een kunstwerk te behouden en te restaureren hangt ook af van de bedoeling van de kunstenaar. In het Kröller-Mülllerpark staat een imposant kunstwerk van Kenneth Snelson, een metershoge toren van aluminium buizen en staaldraad in obeliskvorm. Deze Needle Tower zou er volgens het bordje sinds 1968 staan. Maar de oorspronkelijke constructie was uiterst windgevoelig en werd bovendien voortdurend door de bliksem getroffen. In een hevige storm in 2002 woeien er niet alleen zestig bomen om, maar knapte ook de toren “finaal aan gort“, aldus directeur Van Straaten. In samenwerking met de kunstenaar is het werk helemaal opnieuw gemaakt, met meer kennis en nieuwe materialen die veel sterker zijn dan de oude. Het jaartal op het bordje hoeft volgens het museum niet te worden veranderd. Het concept stamt immers uit 1968.

Voor een deel van de Kröller-Müllercollectie geldt dat goed nageleefde preventieve werkzaamheden genoeg zijn om een beeld in goede conditie te houden. Kwetsbare sculpturen van metalen of steen gaan 's winters naar binnen of worden buiten ingepakt in rieten huisjes of overdekt met een tentdak van zeil. Dat is de zogenoemde winterinpak, om te voorkomen dat de beelden te veel te lijden hebben onder barre weersomstandigheden. Restaurator Stigter: “Het gaat daarbij vooral om de kwakkelmomenten, het schommelen tussen wel of niet vriezen. Dan blijft vocht steeds krimpen of uitzetten.“ De bronzen beelden in de collectie worden regelmatig gecontroleerd, schoongemaakt en met een beschermende was behandeld. Maar die vergen dan ook relatief weinig onderhoud.

Moeilijker is de Iglo di pietra van Mario Merz, een met leistenen beklede iglo, door het museum gekocht in 1982. Arjen de Koomen, auteur van het rapport Buitenstaanders, noemt het huisje een “typisch voorbeeld van de eenzaamheid van kunst alleen buiten, overgelaten aan weer en wind en pulkend publiek'. De rode stenen waar de iglo van is gemaakt, zijn nu grauw en groenig. Het geheel ziet er fragiel uit, en in één steen is een barst te zien. Als je het schoonmaakt heb je een schoon kunstwerk, maar of dat de bedoeling is, kun je je afvragen. Het werk komt uit de Arte Povera-stroming, de sobere ongepolijstheid is een deel van het concept. Wel moesten de oorspronkelijke houten stokjes die de leistenen aan het metalen skelet verbonden, worden vervangen door metalen pinnen. Als dat niet was gebeurd, dan was de iglo jaren geleden al uit elkaar gevallen.

Voor veel problemen met buitenstaande kunstwerken zijn wel technische oplossingen. Stigter: “Het vakgebied restauratie van buitenkunst is betrekkelijk jong. Maar het ontwikkelt zich snel en er is veel kennis. Tegenwoordig wordt per object gekeken naar de waarde van een restauratie.“ Stigter beslist aan de hand van informatie van de conservator en de technici hoe een kunstwerk het beste geconserveerd of gerestaureerd kan worden. Een goede documentatie en intensief contact met de kunstenaar zijn daarin heel erg belangrijk. Een beeld of gebouw is namelijk het beste te restaureren als bekeken is hoe het in elkaar zit, zowel conceptueel als fysiek.

Stigter wijst op een bronzen boom van Giuseppe Penone, ingevoegd tussen een rij echte beuken. Door allerlei weersinvloeden is de stam blauwig van kleur, en dreigt het werk te veel op te vallen tussen de andere bomen. Terwijl de bedoeling van het werk is dat het deel van het landschap is. In zo'n geval is ingrijpen nodig.

Als de kunstenaar nog leeft is het eenvoudiger om een restauratie te doen. Een weduwe of andere erfgenaam mist die technische kennis over het werk die je nodig hebt. Van Straaten: “Hoewel het soms ook lastig is als kunstenaars bij een restauratie de neiging hebben om allerlei verbeteringen aan te brengen. Soms willen ze er dan een heel nieuw ding van maken.“