Natuurgeweld doet me altijd goed

Op 6 juni 1997 stelt Oek de Jong vast dat hij is “ontdaan van het laatste restje onsterfelijkheid'. Hij wordt dikker en hij klaagt over een verminderend zicht. Hij begint zich op zijn vierenveertigste een man van middelbare leeftijd te voelen. Ook in geestelijk opzicht gaat het hem niet helemaal voor de wind. “Goud maken van de modder van je leven', schrijft hij. “Wie wil dat niet?' Maar hij gaat gebukt onder “totale lamlendigheid' en hij brengt niets voort. “Ik zou elke dag afgeranseld moeten worden', verzucht hij een paar maanden later, “of in groot gevaar moeten verkeren'. Toch noemt hij midden in die impasse al ergens de namen van de latere hoofdpersonen (Lin en Henri) van zijn roman Hokwerda's kind. Die zal uiteindelijk verschijnen in 2002.

Het is allemaal te volgen in De wonderen van de heilbot, een bundeling van vijf jaar dagboek (1997-2002). Via dit dagboek maken wij het ontstaan en de voltooiing mee van die langverbeide roman, en van het moeizame en ook nogal wispelturige schrijfproces dat er tussen ligt. Na al het geploeter is hij blij met het resultaat en tevreden over de overwegend gunstige recensies. Een lovende bespreking, van Hans Goedkoop, zet de kroon op het werk. “De slag is gewonnen', jubelt hij op 26 oktober 2002. De wonderen van de heilbot is een typisch schrijversdagboek, waarin De Jong steeds opnieuw zijn literaire vermogens en ook zijn zwakkere punten tegen het licht houdt.

Wat een verschil met Jan Wolkers, die ook een deel van zijn dagboekaantekeningen aan de openbaarheid prijsgeeft. In Dagboek 1969 maakt hij bijna terloops melding van zijn schrijfbesognes. Het is het jaar van Turks Fruit. Wolkers is 44. Op 16 mei 1969 schrijft hij de eerste bladzijden van de roman. Daarna werkt hij er gestaag aan door, één à twee bladzijden per dag. Op 26 juli maakt hij melding van een kleine kink in de kabel. “Mijn werk aan T.F. stagneert al een paar dagen'. Maar de volgende avond herneemt hij zich en op 2 augustus is hij alweer tien bladzijden verder. Zonder noemenswaardige problemen voltooit hij de roman en in november is hij al te koop. Er is geen sprake van een presentatie of van opwinding of verwachting omtrent de verschijning. Hij registreert dat het boek wordt besproken en dat het in stapels in de etalages ligt.

Het dagboek van Wolkers vervult een heel andere functie dan dat van Oek de Jong. Wolkers legt vast wat hij per dag zoal ziet, hoort en meemaakt, minder om de schrijfhand los te maken, zo lijkt het, dan om zijn eigen observaties te bewaren, voor later. Zijn schrijverschap krijgt, in het geheel van dagelijkse beslommeringen, geen bijzondere aandacht. Op zondag 6 juli noteert Wolkers, in telegramstijl: “Om half twaalf pas op. Onder de koffie maakt Karina de peultjes schoon. Onder het eten luisteren we naar “Biels“. Ko van Dijk is er erg goed in. Hij speelt zichzelf. Daarna gaan we aan het werk. Ik schrijf de pagina's 33 en 34 van T.F. Om vier uur kijken we even naar de Tour. Rini Wagtmans is erg goed. Hij is weer derde, lijkt op mijn broer. Daarna concours hippique in Aken.'

De vraag is natuurlijk of we iets hébben aan deze dagboeken. Voegen ze iets toe aan het beeld dat we al hadden van de twee schrijvers? Weinig. Wolkers rijst uit zijn Dagboek op als de energieke doener die wij allang kennen uit zijn werk. En De Jong komt naar voren als de bloedserieuze wikker en weger die in al zijn verhalen en romans aanwezig is.

Intussen is het geen straf om te grasduinen in deze beschreven levens. Er staat van alles in. Wolkers maakt samen met Karina regelmatig reisjes naar Texel en Oostelijk Flevoland om de zinnen te verzetten. En De Jong pendelt met Jeanne tussen Amsterdam en Muiderberg, waar ze een “hut' bewonen en waar hij regelmatig de strijd aanbindt met de elementen in zijn zeilboot (“natuurgeweld doet me altijd goed').

Oek de Jong vergelijkt in De wonderen van de heilbot een paar keer Reve met Hermans. Over de laatste schrijft hij een kritisch essay. Reve is in zijn ogen de gevoelsmens en Hermans de analyticus. Veel meer dan Hermans zou Reve hebben gelééfd en het is duidelijk dat De Jongs voorkeur uitgaat naar Reve.

Maar als je De Jong vergelijkt met Wolkers, dan moet je vaststellen dat Wolkers eerder op Reve lijkt en De Jong meer op Hermans. Wolkers staat, net als Reve, midden in het leven. De Jong probeert, net als Hermans, al redenerend greep te krijgen op zijn bestaan. “In zekere zin heb ik niets te klagen', schrijft hij op 1 februari 2001. “Ik heb een vrouw, ik kan werken [...], ik heb geld [...], ik heb een tamelijk hecht sociaal leven opgebouwd, ik ben minder eenzaam [...] Maar deep down ben ik alleen maar wanhopig.' Het schrijverschap houdt hem van het leven af, maar tegelijk heeft hij vaak moeite met het stilzitten waartoe het schrijven hem dwingt. Alles lijkt hem dan beter - dus dan gaat hij maar weer eens hardlopen, zeilen, reizen of spitten.

De Jong tobt en heeft af en toe een gelukkig moment. Wolkers plukt de dag en voelt zich maar een enkele keer ongelukkig. Hij doet alles met overgave, of hij nu schrijft, eet, vrijt, wandelt, iets met zijn kinderen doet, of in de zon ligt. Hij smult van zijn peultjes, zijn asperges en zijn Cubaanse kreeftjes. Hij geniet van de parnassia's, de lisdodden en de wilgentenen. Hij krijgt geen genoeg van kikkers, meeuwen, ganzen en lepelaars. Oek de Jong begint zich op zijn vierenveertigste een man van middelbare leeftijd te voelen, “ontdaan van het laatste restje onsterfelijkheid.' Wolkers is op zijn vierenveertigste nog altijd een jongeman die zich nergens om bekreunt en al zeker niet om zijn sterfelijkheid.

Oek de Jong: De wonderen van de heilbot. Dagboek 1997-2002. Augustus, 256 blz. euro 17,90

Jan Wolkers: Dagboek 1969. De Bezige Bij, 160 blz. euro 18,50

    • Janet Luis