Naschrift Siep Stuurman

De reacties in Boeken van vorige week op mijn bespreking van De Canons (Boeken, 17.03.6) maken duidelijk dat het begrip canon zeer uiteenlopende associaties oproept. Mijn critici verstaan er allemaal iets anders onder. Arie Wilschut denkt automatisch aan historische kennis en verwijt mij dat ik deze bij mijn lezers bekend veronderstel terwijl ik tegelijk de traditionele, nationale historische canon kritiseer. Hij haalt twee niveaus van debat door elkaar: een discussie over de canon is iets anders dan een voorstel voor een onderwijsprogramma, zoals ook leraren die zo'n programma voorbereiden in hun onderlinge discussie begrippen kunnen gebruiken die voor hun leerlingen te moeilijk' zijn.

Gerard van de Schootbrugge denkt niet zozeer aan kennis, maar aan binding en waarden. Hij ziet canons als een zinvol tegenwicht tegen de blinde vlucht naar voren' die onze tijd kenmerkt. Dat zegt echter weinig over het soort canon dat zo'n tegenwicht zou kunnen bieden. Het begrip canon wordt impliciet verbreed tot zoiets als traditionele ideeën en verhalen. Dat mensen niet in een conceptuele leegte kunnen leven, zal iedereen beamen, maar de inzet van de canondiscussie is een andere: daar gaat het om de vraag welke ideeën en verhalen in de huidige tijd bindend en cultureel productief kunnen zijn. Wie er van uit gaat dat het model van de negentiende-eeuwse nationale gemeenschap nog altijd maatgevend is, zal een nationale canon zinnig en levensvatbaar vinden. Wie daaraan twijfelt zal een andere keuze maken.

De reactie van David Rijser vind ik interessanter. Hij introduceert een element dat in het besproken canon-boekje, en ook in mijn recensie, nauwelijks aan bod komt. Rijser is het met mij eens dat een canon geen lijstje weetjes is en dat hij niet per decreet kan worden opgelegd. Maar hij meent dat de kunsten een canon belichamen die nog altijd vitaal en levend is. Hij noemt Bach, Homerus, Shakespeare, Rembrandt en Mozart. Ik vind dat een aantrekkelijke gedachte, ook al kan men zich afvragen hoe breed de kring is waarin deze canon' voortleeft. Het begrip canon staat hier voor een combinatie van esthetiek en fundamentele vragen omtrent de menselijke conditie. Anders dan geschiedenis en literatuur, zijn kunst en filosofie geen schoolvakken met vaste programma's. De canon van Rijser komt tot stand doordat mensen zich op een tamelijk eclectische manier stukken uit de muziek, het theater, de literatuur en de beeldende kunst eigen maken. Dat gebeurt in het onderwijs maar nog meer daarbuiten. Het is een proces dat niet van staatswege geregeld en bezegeld kan worden. Een voorwaarde voor de levensvatbaarheid van Rijsers canon is juist dat mensen zich er zelf toe aangetrokken voelen, dat ze zich er mee inlaten omdat het hun gevoel voor schoonheid en menselijkheid aanspreekt. Het is dus een ongestuurd en naar de toekomst open process. De literatuur en muziek van buiten de westerse wereld kan er even goed een plaats in vinden als de klassieke auteurs en componisten waar Rijser naar verwijst. Voor het begrip van de context van kunstwerken heeft dat de consequentie dan deze meer mondiaal en niet meer alleen Europees zal zijn. Maar context staat hier voor de gebeurtenissen en ideeën waar een kunstwerk naar verwijst, en niet zozeer voor de droom van het totale overzicht die de canon-discussie in het onderwijs teistert. In de kunst staat niet het overzicht centraal maar het exemplarische geval. Zoals ik in mijn recensie aan de hand van Socrates en Odysseus probeerde duidelijk te maken, zijn het juist zulke dingen die aanspreken en blijven hangen. De consequentie voor het onderwijs is duidelijk: minder oppervlakkige overzichten en meer de diepte in!

    • Siep Stuurman