Geen privacy voor de doden!

Een biograaf die zijn held slechts gebruikt om een onderzoek naar een bepaalde tijdvak aan op te hangen, schiet zijn doel voorbij. De hele mens moet beschreven worden, inclusief zijn of haar duistere kanten.

Vrouw in strapless jurk wandelend door geblokte gang Foto Melissa Scheetz A woman in a black strapless dress walking down a checkered hall. Jupiterimages

Politiek gaat over macht en de politieke biografie gaat dus over een mens met macht. Zegt het privé-leven iets over hoe iemand met macht omgaat? Uiteraard: geldingsdrang, hoogmoed, hebzucht en wreedheid van machthebbers spelen in de geschiedenis een grote rol. Toch zijn de schrijvers van politieke biografieën in Nederland - zeker in vergelijking tot hun collega's in de Angelsaksische wereld - over het algemeen terughoudend met het vermelden van privé-aangelegenheden van hun protagonisten Tot voor kort gold: ze zijn alleen relevant als onomstotelijk kan worden aangetoond dat bepaalde karaktertrekken, liefdesperikelen en psychisch of lichamelijk lijden van invloed waren op het werk van politieke leiders.

Een verklaring voor de prudentie in de Nederlandse biografische traditie is de verzuiling, die tot ver in de jaren zestig van de vorige eeuw heeft geduurd. Tot die tijd portretteerden gereformeerden gereformeerden, katholieken katholieken, sociaal-democraten sociaaldemocraten, enzovoorts. De eigen zuil werd verheerlijkt en een voorman van wie bekend werd dat hij de beginselen van die zuil had verloochend, kon moeilijk meer als voorbeeld dienen. Verzuilde biografieën zijn daarom altijd apologieën. Het verschil tussen zo'n nog min of meer zuilgebonden levensbeschrijving en een moderne politieke biografie valt te illustreren aan de hand van de recente boeken over Van Oldenbarnevelt door Ben Knapen en over Maurits door de VU-historicus A.Th. van Deursen.

In De man en zijn staat over Johan van Oldenbarnevelt gaat het primair over staatsvorming in Nederland, maar Knapen schroomt niet de vraag te stellen of Van Oldenbarnevelt corrupt was. In onze tijd zou hij zonder meer zo gekarakteriseerd worden. Hij begon als een betrekkelijke armoedzaaier met een louche vader, maar bouwde behalve de machtige Hollandse regentenstaat ook een privé-fortuin op. In zijn aanstelling liet hij vastleggen dat hij geschenken mocht aanvaarden, en hij liet zich, ook door vreemde mogendheden, grof betalen. Hij werd mede gedreven door een zucht naar aristocratisch aanzien. Hebzucht is een wezenstrek van Oldenbarnevelt. Knapen plaatst die in zijn tijd en noemt hem niet corrupt maar gretig.

Hoe anders is dat gesteld met die andere grote gestalte uit die periode, stadhouder prins Maurits, ook een geldwolf, maar tevens een seksmaniak, voor wie de meisjes niet aan te slepen waren. Zo jong waren die meisjes, dat volgens “scabreuze roddels' Maurits naar de maatstaven van onze tijd een pedofiel genoemd zou worden. Knapen laat die roddels niet onvermeld. Seks met kinderen was, schrijft hij, “in die tijd voor iemand van Maurits' stand weliswaar alleen zijn privé-zaak, maar het suggereert op zijn minst dat tijdgenoten bij deze krijgshaftige man ook een donkere kant ontwaarden.'

Van Deursen waagt zich in Maurits van Nassau 1567-1625 niet aan die duistere kant. Hij memoreert slechts dat de ongehuwde stadhouder er talrijke maîtresses op nahield en laat het bij een gefronste wenkbrauw over Mautrits' “puur carnale omgang met het andere geslacht'. De held van de contra-remonstranten als mogelijke pedofiel aanmerken, gaat de gereformeerde geleerde kennelijk te ver.

In het debat over de vraag waarom Nederlandse politieke biografieën zo weinig intimiteiten bevatten, wordt ook gewezen op de gewoonte van de media in dit land om het persoonlijk leven van politici ongemoeid te laten. Mij lijkt dit een verkeerde analyse. De taak van een journalist die over levende politici schrijft, verschilt wezenlijk van die van een biograaf, al wordt dat lang niet door iedereen onderkend. Zo schreef Volkskrant-columnist H.J. Schoo over Wouter Bos dat diens boek Dit land kan zoveel beter “zo weinig van zijn Vorleben prijsgeeft en zoveel reserve toont aangaande zijn privé-bestaan dat een goocheme journalist op een kwade dag zou kunnen besluiten toch maar eens uit te zoeken wat de kandidaat premier eigenlijk te verbergen heeft.'

Eerlijk gezegd kwam diezelfde gedachte - wat heeft Wouter Bos te verbergen? - na lezing van het boek ook eventjes bij mij op. “Mijn verhaal', zoals het autobiografische hoofdstuk heet, is de geschiedenis van een onbeschreven blad en daarom niet zo realistisch. Toch zal ik niet die goocheme journalist zijn die op zoek gaat naar de geheimen van de PvdA-leider. Als hij gênante kwesties die niet relevant zijn voor zijn politieke functioneren voor zich wil houden - láát hem. Voor journalisten wordt het pas interessant als Bos zaken zou verzwijgen die hem chantabel maken. Voor zijn toekomstige biograaf ligt het anders, die zal alles willen onderzoeken wat Bos gemaakt heeft tot de politicus die hij geworden is. Biografen schrijven idealiter over doden. Het onthullen van geheimen over overledenen kan hooguit pijnlijk zijn voor nabestaanden, maar heeft geen invloed op het beschreven leven zelf.

Een meer voor de hand liggende oorzaak van de bloedeloosheid van de Nederlandse biografie is dat ze zich heeft ontwikkeld als een subgenre van de geschiedschrijving. Om als onderzoeker serieus te worden genomen, meenden biografen zich weinig te kunnen permitteren. Ik ben een liefhebber van wetenschappelijke biografieën waarin elk feit verifieerbaar is, maar wie zich te hoog acht voor loeren door het sleutelgat en niet indiscreet wil speuren naar feiten die om wat voor reden dan ook geheim zijn gebleven - moet geen biograaf worden. Veel politieke biografieën zijn geschreven door auteurs die vooral belangstelling hebben voor een bepaalde politieke stroming of historische periode. Daar is dan een persoon bij gezocht waaraan een onderzoek kon worden opgehangen.

Voorbeelden van zo'n aanpak bieden de geschiedschrijvingen van de oud-PvdA burgemeester van Eindhoven Gilles Borrie over sociaal-democratische gemeentebestuurders als Wibaut, Tak en De Miranda. Voortreffelijke boeken, maar eerder monografieën dan biografieën. Borrie is primair geïnteresseerd in sociaal-democratische gemeentepolitiek waarbij hij alleen op privékwesties in ging als er een relatie was tussen gemeentepolitiek en privéleven.

Een andere reden is dat er te weinig bronnen zijn. Daarmee werd Borrie geconfronteerd bij zijn biografie van P.L. Tak uit 1973. Pieter Lodewijk Tak (1848-1907), was hoofdredacteur van Het Volk en De Kroniek en gemeenteraadslid en Tweede Kamerlid voor de SDAP. Borrie vermeldt dat er maar weinig over Taks privé-leven bekend is. Het weinige dat we weten is dat hij altijd vrijgezel is gebleven. Naar de reden daarvan is het slechts gissen, maar daar begint Borrie niet aan.

Ik heb veel van en over P.L. Tak gelezen en me wel eens afgevraagd of hij homoseksueel was, maar ook of je daar als biograaf over mag speculeren. Daaraan gaat een andere vraag vooraf: had die vermeende homoseksualiteit enige relevantie voor Taks politieke en journalistieke handelen? Ja, luidt het antwoord. Homoseksualiteit was taboe in Taks tijd, hij zou, als het bekend werd, geen gemeenteraadslid hebben kunnen zijn. Bovendien heeft homoseksualiteit, althans het taboe erop, ook een rol gespeeld in Taks optreden als hoofdredacteur van Het Volk ten tijde van de “Pijpelijntjes-affaire'. De schrijver van de homo-erotische roman Pijpelijntjes, Jacob Israël de Haan, werd in 1905 door hoofdredacteur Tak wegens dat boek ontslagen als medewerker van de jeugdrubriek van Het Volk, wat veel ophef veroorzaakte.

In de eerste druk van zijn Tak-biografie wijdt Borrie geen woord aan de mogelijkheid dat Tak zijn medewerker ontsloeg omdat hijzelf als homo in een kwetsbare positie verkeerde. Maar in de onlangs verschenen herziene herdruk gaat hij daar wel op in. Hij citeert uit een in 1982 verschenen brochure van Rob Delvigne en Leo Ross over de Pijpelijntjesaffaire, waarin de vraag wordt opgeworpen of Tak De Haan wellicht ontsloeg omdat diens boek “verborgen snaren in zijn ziel beroerden die hem de stuipen op het lijf joegen.'

Waarom kon Borrie deze vraag niet voor zijn eigen rekening nemen? Misschien omdat hij vindt dat een biograaf niet mag speculeren. Maar als je dat werkelijk vindt, moet je je bij het publiceren van louter aannames ook niet baseren op de speculaties van anderen. Dan houd je je strikt aan regels die voor de journalistiek gelden. Journalisten mogen geen speculaties publiceren, ook niet als die eerst in een boulevardblad hebben gestaan. Een biograaf daarentegen kan zich, bij het ontwikkelen van een visie, inlaten met speculaties zolang hij deze maar niet zonder bewijs als levensfeiten presenteert.

Een goed voorbeeld van omgaan met geruchten in een serieuze biografie is C.Fasseurs behandeling van de mythe dat prinses Wilhelmina is verwekt door jhr. S.M.S. De Ranitz, omdat Willem III daar niet toe in staat geweest zou zijn. Fasseur heeft geen bewijs kunnen vinden voor het vaderschap van De Ranitz, maar dat was geen reden om er over te zwijgen, integendeel, hij knoopt een prachtige anekdote vast aan de roddel. Ik wil niet zeggen dat ik een voorkeur heb voor biografieën die ontmaskeren om te ontmaskeren of aan elkaar hangen van achterklap. Er is een tussenweg tussen de methode van verzuilde biografen die liever verhullen dan onthullen en biografen die vooral belang hechten aan sensatieverhalen en verkoopcijfers. Die tussenweg is bewandeld door Herman Langeveld in zijn Colijn-biografie, een mijlpaal in het “ontbravingsproces' van de politieke biografie. En echt niet alleen vanwege zijn onthulling van de onder Colijns verantwoordelijkheid gepleegde oorlogsmisdaden op Lombok. Een veel groter waagstuk is de wijze waarop Langeveld de aanwijzingen heeft verwerkt dat Colijn begin jaren dertig een buitenechtelijke relatie onderhield met de Duitse oplichtster Hella Schulz, door wie hij tijdens zijn premierschap zou zijn gechanteerd.

Dat Colijn als gevolg van de afpersingspraktijk van deze dame in politieke moeilijkheden kwam, is bekend, maar of hij een seksuele relatie met haar had, is nooit opgehelderd. Ook Langeveld kon het niet bewijzen, zoals hij in zijn boek eerlijk meedeelt. Toch zag hij kans op basis van intensief speurwerk een berg materiaal te presenteren waaruit de mogelijkheid oprijst dat Colijn het met de christelijke huwelijksmoraal niet zo nauw nam.

Een verzuilde biograaf of een starre wetenschapper zou het onbewijsbare gedeelte van de Schulzaffaire niet hebben opgenomen. Een moderne biograaf als Langeveld, durfde dat gelukkig wél. En er is niemand geweest, noch uit antirevolutionaire, noch uit wetenschappelijke kring die heeft geklaagd dat het presenteren van plausibele hypotheses aangaande het persoonlijk leven van een overleden politicus onethisch of onwetenschappelijk zou zijn.

Aukje Holtrop wier proefschrift Nynke van Hichtum ten dele ook een politieke biografie is, omdat zij er een cruciaal deel van het leven van Nynkes echtgenoot Pieter Jelles Troelstra in beschrijft, heeft dezelfde methode als Langeveld gehanteerd. Zij geeft drie visies op het mislukte huwelijk van de Troelstra's. Welke de waarheid het dichtst benadert zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar ik heb uit Holtrops deels op hypothesen gebaseerde reconstructie van Troelstra's eerste huwelijk meer geleerd over de politicus Troelstra en zijn manier van politiek bedrijven, dan uit tal van politiek-historische boeken waarin het privé-leven van Troelstra onbesproken bleef.

De reden waarom ik graag biografieën lees is dat ik wil weten hoe iemands persoonlijke drijfveren, obsessies, neuroses en geheimen zijn handelen kunnen hebben beïnvloed. Een biograaf die zijn held slechts gebruikt om een onderzoek naar een bepaalde stroming of tijdvak aan op te hangen, loopt het gevaar dit doel voorbij te schieten.

Die kritiek kreeg historica Mineke Bosch te verduren naar aanleiding van haar biografie van Aletta Jacobs. Dat is de beste en meest omvattende studie van de eerste feministische golf tot nu toe, maar geen ideale biografie. Bosch was niet primair geïnteresseerd in Jacobs maar in de feministische beweging als zodanig. Maar ook heeft zij principiële bezwaren tegen het blootleggen van vrouwelijke privé-levens. In een interview met Spiegel historiael zei ze “Het is opmerkelijk hoe de recensenten mij verwijten dat ik te weinig in Jacobs' persoon heb weten door te dringen. Dat wilde ik ook helemaal niet! Ik vind die kritiek ook gegendered. Gaat er eens een biografie over een vrouw, vindt de kritiek meteen dat het meer over het persoonlijk leven had moeten gaan.'

Nu heeft Bosch gelijk als ze constateert dat in biografieën van mannen vaak weinig aandacht wordt besteed aan privé-zaken en critici dat zelden betreuren, maar het antwoord van feministische biografen daarop moet niet zijn dat zij bij het beschrijven van vrouwenlevens afzien van pogingen door te dringen in de persoonlijke levenssfeer van hun protagonisten. Ik zou eerder een pleidooi willen houden voor het omgekeerde: vraag ook van biografieën van mannen dat daarin de hele persoonlijkheid, inclusief de duistere kanten ervan, in het licht wordt gesteld.

Doden hebben geen privacybescherming nodig. Laten we ophouden met excuses aan te dragen voor het verzwijgen van intieme levensfeiten en blijven zoeken naar manieren om die feiten op te sporen en op een verantwoorde, betrouwbare wijze hun onontbeerlijke plaats te geven in levensbeschrijvingen.

Dit is een ingekorte versie van een lezing op het het congres “Privé in de politieke biografie', georganiseerd door het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen en het Biografie Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. Wilt U reageren: boeken@nrc.nl