Geen concept als concept

“Dit zijn dingen die we graag bij elkaar wilden zien', zeggen de curatoren van de biënnale in Berlijn. De kunst mag weer hoogstpersoonlijk en onverklaarbaar zijn.

Videostill uit Aïda Ruilova's ‘Life like’, 2006 foto Aïda Ruilova/Greenberg Van Doren Gallery & Salon 94, New York Ruilova, Aïda

De pas geopende Gagosian Gallery valt nauwelijks op tussen de vele andere expositieruimtes in de Auguststrasse in Berlijn. Het is een galerie zoals die eruit hoort te zien: met witgeschilderde wanden waartegen foto's en tekeningen hangen. Een stijlvol zwart naambordje prijkt naast de deur op de statige, pas gerestaureerde gevel. De galeriehouder zit achter een bureau op de begane grond en bladert onverstoorbaar in een tijdschrift. Bezoekers die zich over de drempel wagen, worden vakkundig genegeerd.

Toch is de Gagosian Gallery geen gewone galerie. Vreemd is bijvoorbeeld dat geen van de tentoongestelde kunstwerken te koop is. Ingewijden in de kunstwereld zullen bovendien de naam herkennen. Larry Gagosian is een van de bekendste kunsthandelaren uit New York die wereldberoemde kunstenaars als Jeff Koons en Damien Hirst vertegenwoordigt. Wat doet die naam opeens in Berlijns hippe kunstwijk Mitte?

The Gagosian Gallery blijkt een nepgalerie, in het leven geroepen door de drie curatoren van de vierde Berlin Biennale, die vorige week van start is gegaan. Een “guerrilla franchise-onderneming', noemen kunstenaar Maurizio Cattelan, critica Ali Subotnick en tentoonstellingsmaker Massimiliano Gioni hun parodie. Het logo werd gejat van de New Yorkse moedergalerie. Het enige verschil is dat de exposerende kunstenaars uit de Berlijnse Gagosian-stal lang zo bekend niet zijn als hun Britse en Amerikaanse collega's.

Galerietje spelen op een kunstbiënnale - het lijkt een typische navelstaarderige curatorengrap. Hoewel de Gagosian Gallery slechts een van de dertien locaties is waar de vierde Berlin Biennale zich afspeelt - een kerk, een begraafplaats, een danszaal, een schoolgebouw en enkele woonhuizen horen ook tot het parcours - is de toon met deze gimmick-voor-insiders wel direct gezet. Op deze biënnale hoeven we geen sociaal-geëngageerde video's of documentaire-achtige fotografie te verwachten, zoals tegenwoordig de norm is op internationale groepstentoonstellingen. Hier gaat het om de kunst als kunst.

Typerend is ook dat de drie curatoren er dit jaar voor gekozen hebben de tentoonstelling in zijn geheel onder te brengen in verschillende panden aan de Auguststrasse. Sinds de Berlin Biennale hier in 1998 voor het eerst georganiseerd werd, is de kilometerlange straat uitgegroeid tot het culturele hart van Berlijn. Bij iedere aflevering van de biënnale bleek het aantal galeries gegroeid en hadden meer bouwvallige huizen een lik verf gekregen. Inmiddels worden de toeristen in busladingen door de smalle straat gereden en is er van het alternatieve karakter van vroeger weinig over. De kunstenaars die hier na de val van de Muur kwartier maakten vanwege de goedkope atelierruimtes, zijn alweer verder getrokken naar wijken als Prenzlauer Berg en Treptow, of teruggegaan naar Kreuzberg. De Auguststrasse is een instituut geworden. En de Berlin Biennale, de benjamin onder de kunstbiënnales, heeft een vaste plek verworven in de agenda's van de internationale kunstelite.

Onheilspellend

Bij het betreden van de Kunst-Werke, de centrale locatie van de biënnale, klinkt een harde schaterlach over de binnenplaats. Het geluidswerk van Gino De Dominicis is een onheilspellende voorbode - alsof je als bezoeker bij voorbaat al voor gek verklaard wordt.

Na de kassa volgt een confrontatie met een installatie van de Amerikaan Bruce Nauman, getiteld Rats and Bats (Learned Helplessness in Rats II) uit 1988. Op een groot videoscherm worden beelden getoond van een man die met een honkbalknuppel tegen een boksbal slaat, afgewisseld met beelden van een rat die zijn weg zoekt door een labyrint van plexiglas. Dat labyrint staat ook in het echt opgesteld, maar dan zonder rat. Nauman baseerde zich voor zijn kunstwerk op experimenten waarbij ratten blootgesteld werden aan harde geluiden en daardoor gedesoriënteerd raakten. Maar waarom staat Rats and Bats juist hier, bij aanvang van de expositie? Is het labyrint een metafoor voor het tentoonstellingsparcours? Zijn de bezoekers de dolende ratten?

Wie de route vervolgt belandt in de erezaal, gevuld met het 163 zwart-witfoto's tellende kunstwerk EIN-HEIT (1991-1994) van de Duitser Michael Schmidt. Er zitten portretten tussen van meisjes (jeugdliefdes?), foto's van typische Oost-Duitse Plattenbau en karige interieurs, maar ook krantenfoto's van politici en beelden uit archieven. Sommige foto's keren meerdere malen terug, als refreinen in een compositie. Uitleg over het wie, wat en waarom wordt niet gegeven. De titel en datering duiden erop dat het kunstwerk over de hereniging van Duitsland gaat. En door de manier van presenteren krijg je het gevoel dat je de beelden zou moeten kennen. Toch laat je visuele geheugen het volledig afweten. Daar sta je dan, hopeloos verloren in een witte ruimte vol kunstwerken waar je geen betekenis aan kunt geven. Ook zonder het geschater van Gino De Dominicus voel je je hier behoorlijk uitgelachen.

Een etage hoger gaat de dwaaltocht verder. Met de cryptische installatie Splash (2006) van Cathy Wilkes worden we opnieuw geconfronteerd met een schijnbaar willekeurige verzameling objecten. Een wasbak, een omgekeerd schoteltje, een etalagepop en een beeldscherm zonder input zijn semi-lukraak in een zaaltje bijeengezet. Langzaam groeit de irritatie. Moeten we nu weer zelf de context ontcijferen?

Eenmaal aanbeland bij de fotoserie van de Iraanse kunstenaar Shirana Shahbazi word je ronduit opstandig. Haar kleurenfoto's - van een hond, een vrouw, een restaurant, een landschap - zijn te saai om als zelfstandige kunstwerken te dienen. Maar samen lijken ze een verhaal te vertellen. Alleen: welk verhaal? De tentoonstelling begint nu steeds meer op een nachtmerrie te lijken. Wat moet ik als kunstkijker met al deze losse fragmenten? Niets is eenduidig, alles is multi-interpretabel. Waar gaat deze biënnale eigenlijk over?

In interviews hebben de samenstellers meermalen verklaard dat er aan hun tentoonstelling geen vastomlijnd idee ten grondslag ligt. “Ons concept is conceptloosheid“, aldus Gioni, Cattelan en Subotnick. “Deze biënnale is geen thematentoonstelling, maar een expositie met subjectieve voorkeuren en onverwachte verbanden, met terugkerende buien en spanningen“, schrijven ze in de catalogus. “Eenvoudiger gezegd: dit zijn enkele dingen die we graag bij elkaar wilden zien.“ Dat het daarbij gaat om kunstwerken waarvan zij zelf ook de strekking niet altijd begrijpen, geven ze ruimhartig toe. Maar, zeggen ze: “Kunst moet zijn dubbelzinnigheden verdedigen, en tot op zekere hoogte obscuur blijven.“

“Dingen die we bij elkaar wilden zien'. Een eerlijk, maar ook uiterst onbevredigend uitgangspunt. Want geldt dat niet voor elke tentoonstelling? Anderhalf jaar hadden de curatoren de tijd om deze biënnale voor te bereiden, om zich te verdiepen in de kunstscene van Berlijn, rond te reizen, atelierbezoeken af te leggen. Om dan aan te komen met “ons concept is dat er geen concept is', is wel erg gemakzuchtig.

Op papier zag het er allemaal veelbelovend uit. Onder de zeventig kunstenaars op de deelnemerslijst prijken veel interessante namen, zoals Turner-prijswinnaars Jeremy Deller, Martin Creed en Gillian Wearing. Maar veel van hun werken zijn al talloze malen tentoongesteld. Zo mag Creed opnieuw zijn truc met het aan- en uitfloepende licht herhalen en laat Wearing haar dronkenmannenvideo uit 1999 nog eens zien. Ook bewijst deze biënnale opnieuw dat er door tentoonstellingsmakers vaak uit dezelfde vijver gevist wordt. Neem alleen al de keuze voor de Nederlanders: Mark Manders is inmiddels een graag geziene gast op biënnales, en Erik van Lieshout vertegenwoordigde ons land vorige zomer al in Venetië.

Zelfs de titel van de biënnale, Of Mice and Men, is niet zelf bedacht maar geleend van de Amerikaanse schrijver John Steinbeck. De curatoren hebben de naam er later opgeplakt, toen bleek dat de tentoonstelling een uitgesproken somber karakter had gekregen. Steinbecks boek uit 1937 ging over eenzaamheid, harteloosheid, moord en over de onmogelijkheid het noodlot af te wenden. Die donkere, naargeestige sfeer domineert ook de vierde Berlin Biennale. “Het is een tentoonstelling die vertelt over waar mensen toe in staat zijn“, aldus de makers. “Dit is een groot groepsportret van de menselijkheid.“ Of, zoals Maurizio Cattelan het in een interview in de catalogus verwoordt: “Het is een tentoonstelling over het leven, maar dan gereduceerd tot de kernelementen: je wordt geboren, je leeft en je sterft.“

Dus worden we geconfronteerd met de bloederige foto's die de Amerikaan Corey McCorkle maakte van de geboorte van zijn kind. En moeten we in de video Time after time (2003) van de Albanees Anri Sala toekijken hoe een broodmager paard gedoemd is te sterven.

Onverklaarbaar

Kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, zo werd ons vroeger geleerd. Met de opkomst van sociaal-geëngageerde, maatschappelijke kunst leek dat adagium naar de achtergrond te verdwijnen, maar hier in Berlijn mag de kunst weer hoogstpersoonlijk en onverklaarbaar zijn. Hier draait het juist om obsessies, herinneringen en trauma's. Hier is een loszittend steekje een pre.

Ongegeneerd laat de Amerikaanse kunstenaar Aïda Ruilova in haar vage film Life like (2006) zien hoe ze opgewonden raakt van haar held en mentor Jean Rollin, een Franse regisseur van erotische horrorfilms. Terwijl de oude Rollin in zijn appartement voor dood ligt, wordt hij beklommen door een gothic-meisje (Ruilova zelf?). Je verwacht dat deze kleine vampier ieder moment zijn bloed zal drinken, maar in plaats daarvan knoopt ze zijn broek los.

Wilde dromen worden er afgewisseld met Freudiaanse verlangens. Wat te denken van een klei-animatiefilmpje over een naakte vrouw die oraal bevredigd wordt door een tijger (Nathalie Djurberg) of een video van een meisje dat spontaan begint te strippen in een rijdende metro (Klara Liden)? Aanstellerij of openhartige bekentenissen? En wat zou de diepere betekenis zijn van het naakt rondjes schaatsen op een bevroren meer, zoals Jaan Toomik doet in zijn video Father and Son?

Een van de opmerkelijkste bijdragen is de verzameling van 387 maquettes van huizen die kunstenaar Oliver Croy in 1993 vond in een Weense rommelwinkel en die nu in Berlijn wordt getoond. De huisjes, stuk voor stuk gedecoreerd met leuke behangetjes en piepkleine gordijntjes, bleken te zijn gemaakt door een plaatselijke verzekeringsbeambte. Deze Peter Fritz was een jaar eerder gestorven. Tragisch genoeg was er niemand in zijn levenswerk geïnteresseerd. Nu staat zijn knotsgekke collectie te pronken in het museum. En hoewel de werken eerder in de categorie huisvlijt thuishoren, zijn ze hier tussen al die andere excentrieke hersenspinsels wel op zijn plek. Want hoe gek moet iemand zijn om ieder vrij uur te willen knutselen aan kartonnen kathedralen, tuinhekjes en pompstations? In het oeuvre van Marcel van Eeden herken je iets van de gekte van de maquettebouwer. De Nederlander werkt al sinds begin jaren negentig aan zijn cyclus Encyclopedie van mijn dood, waarvoor hij iedere dag minstens één tekening maakt van een gebeurtenis die plaatsvond vóór zijn geboortejaar 1965. Als een vreemd soort control-freak probeert hij zo vat te krijgen op de tijd dat hij er nog niet was - een poging die uiteraard bij voorbaat gedoemd is te mislukken, al was het maar omdat het een schier oneindige periode betreft.

Van Eeden baseert zijn tekeningen veelal op oude krantenfoto's en soms helpt hij de waarheid een handje. Zo laat hij in Berlijn een serie van 137 tekeningen zien over het leven van K.M. Wiegand, een botanist uit de vroege twintigste eeuw, die van de kunstenaar een onwaarschijnlijke, James Bond-achtige biografie toegedicht heeft gekregen. In Van Eedens kunstwerk is Wiegand niet alleen schrijver van plantenboeken, maar ook piloot, bokser, bergbeklimmer, kunstenaar, acteur en uitgever van architectuurboeken. Het lijkt wel of alle krantenberichten uit naoorlogs Nederland opeens betrekking hebben op Wiegand. Van Eeden herschrijft op een fraaie manier de geschiedenis - dat is zijn macht als kunstenaar.

Deze vierde Berlin Biennale is eigenzinnig maar frustrerend. Na twee dagen kunstkijken zijn het vooral vragen, open eindes, onopgeloste raadsels die blijven hangen. De toeschouwers zullen er nooit achterkomen wat er in al die verschillende breinen omgaat. Wij blijven altijd een beetje buitenstaander. Het kan erger. Wij zijn hier vrijwillig. Maar wat als je tegen je wil wordt opgesloten in een galerie? In de korte film Deeparture (2005) van de Roemeen Mircea Cantor zitten een hert en een wolf samen gevangen in een lege expositieruimte. Het doodsbange hert schuifelt voorzichtig met zijn hoefjes over het beton, en houdt de wolf nauwlettend in de gaten. De wolf peest op zijn beurt getergd heen en weer, alsof hij weet dat een aanval hier geen zin heeft. Van buiten klinkt nog altijd de schaterlach van Gino De Dominicis. Een huilbui zou in dit geval gepaster zijn.

Berlin Biennale 4: Of Mice and Men. T/m 28 mei in Kunst-Werke en op diverse andere locaties in de Auguststrasse, Berlijn. Di t/m zo 12-19u. Inl: 0049-30-2434590, www.kw-berlin.de of www.berlinbiennale.de