Een dozijn norse Russen

Een tiental dagen geleden zat ik aan de zijde van mijn geliefde zachtjes heen en weer te wiegen op het terras van een casa particular aan de Varkensbaai. Kort geleden had ik een cultuurfilosoof horen beweren dat vakanties voor vele westerlingen een psychische doodsteek betekenen, aangezien men nu eenmaal niet kan ontspannen op commando. Hoewel ik de man gelijk had gegeven, moest ik mijn mening vanuit mijn schommelstoel enigszins herzien. Het voelde nog steeds bizar deel uit te maken van de horde toeristen die als verdwaalde gnoes door dit onbekende landschap trokken, ongemakkelijk over de ongelijkheid en onzeker over de beleefdheidsregels. Ik was al blij dat ik niet de behoefte voelde mij in Che-parafernalia te hullen, want die steken wel erg af bij de fel gegeerde Tommy Hilfiger-logo's op de borstkassen van jonge Cubanen. Toch had deze reis mij van dag tot dag dichter bij een gezapige tevredenheid gebracht, een roes die in deze baai van voorbije gruwel tot een hoogtepunt scheen te komen. Alsof ik nog niet genoeg buiten mijzelf was getreden, had ik net vastgesteld dat ik van diepzeeduiken hield.

Toen werd het vredige terras bestormd door een dozijn norse Russen. Toen wij hen begroetten, keken zij geërgerd de andere kant op. Al snel bleek dat zij niet tot het soort behoorden dat literaire mijlpalen schrijft of hier moeiteloos lange passages uit citeert. Zij waren nieuw en rijk en hadden zich een Cubaantje aangeschaft om hun geblaf naar het Spaans te vertalen en haar in het achterste te knijpen. Toen ze klaar waren met het doorslikken van nauwelijks van hun schaal ontdane langoesten, uitten ze een dreigend klinkend verzoek tot enkele kennissen van de gastvrouw, waarop deze zich knikkend verwijderden. Even later werden juwelen van bijna uitgestorven zwart koraal, twee opgezette reuzenschildpadden en een babykrokodil aan een onverschillige keuring onderworpen. De Russen kochten alles en vierden hun aankopen met grote hoeveelheden alcohol. Toen mijn geliefde mij even alleen achterliet om naar het toilet te gaan, draaide een zich naar mij toe. Hij tikte tegen zijn glas, deed zijn best zijn aanwijzingen in het Russisch zo duidelijk mogelijk te articuleren en gaf met een hoofdknik te kennen dat hij het wel degelijk tegen mij had. Dat laatste maakte mij enigszins zenuwachtig. Ongetwijfeld is het goedgelovige en op liefde ingestelde kind in mij echter nog niet helemaal gestorven, want ik ging er meteen van uit dat dit een aardige man was die mij iets te drinken aanbood.

“No, gracias“, glimlachte ik en om mijn appreciatie voor het aanbod te benadrukken, maakte ik een soort proost-beweging met mijn eigen drankje.

Dat men mij dringend had verzocht de glazen bij te vullen, drong pas tot mij door toen het voltallige gezelschap mij enkele stille seconden aangaapte met blikken vol spot, irritatie en compassie om zoveel achterlijkheid. De Russen keerden zich ten slotte zuchtend van mij af en zetten hun conversaties voort. Dat ik mij intussen in een van de eenzaamste en minst gecontroleerde lachbuien van mijn leven bevond, hinderde hen blijkbaar niet. Dat kwam mooi uit, want ik kon er onmogelijk mee ophouden.

Diezelfde avond ondernamen wij een poging tot sociaal contact met twee mannen uit de groep. De ene verzocht ons Russisch te praten, de andere wees lang naar het zittende achterste van mijn geliefde dat bij nader inzien de Ray-Bans van de Rus bleek te bedekken. Wij schaterden excuses en voegden er hikkend “Belgica!“ aan toe. Dat leek ook voor Russen veel te verklaren.

Dit is de eerste aflevering van een tweewekelijkse column van schrijfster Annelies Verbeke

    • Annelies Verbeke