De premier als een kat

Het is het soort cartoon waar je in Turkije de gevangenis voor in kunt draaien. Terwijl een gevangene wordt gemarteld zegt een hoge militair tegen een ondergeschikte dat het tijd wordt om de martelingen met stroomstoten stop te zetten. “De stroom valt hier steeds maar uit“, zegt de militair, die een nazi-teken op zijn riem heeft, om vervolgens daar eufemistisch aan toe te voegen dat de “dienstverlening' aan de gevangenen, door hem “cliënten' genoemd, onder druk komt te staan.

Toeristen Sultan Ahmet Camii Istanbul, Turkije. 11-10-04 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Toen ik de spotprent van tekenaar Oguz Aral in het Museum van Cartoons en Humor in Istanbul zag staan, schoten er allerlei gedachten door me heen. Ik dacht om te beginnen aan artikel 301 van het nieuwe Turkse wetboek van Strafrecht dat belediging van de Turkse “nationale identiteit' verbiedt. Op basis van dat artikel werd onder meer de schrijver Orhan Pamuk aangeklaagd omdat hij in een vraaggesprek met een Zwitserse krant zei dat er op Turks grondgebied 30.000 Koerden en een miljoen Armeniërs zijn vermoord. Als er iets bij Turkije hoort, dan is het wel het leger. Zou Aral, die twee jaar geleden overleed, zijn cartoon vandaag publiceren dan zou hij zeer wel een proces wegens belediging van het leger aan zijn broek kunnen krijgen.

Of toch niet? De Turkse premier Erdogan heeft het niet zo op humor en hij is al enige tijd in een flink conflict verwikkeld om een aantal spotprenten. Het begon er allemaal mee dat cartoonist Musa Kart de premier afbeeldde als een kat. Erdogan ontstak in woede en begon een rechtszaak tegen Kart (die hij won: de cartoonist moest hem smartengeld betalen). Als teken van solidariteit met Kart beeldde het blad Penguen Erdogan af op de hoofden van zo ongeveer alle beesten uit de dierentuin. En weer ontstak de premier in woede en begon opnieuw een rechtszaak. Maar de rechter gaf hem lik op stuk: als je premier bent, moet je maar tegen kritiek kunnen, liet de magistraat weten. Cartoons kunnen beledigen, was de boodschap, maar in het belang van het hogere goed van de democratie en de vrijheid van meningsuiting moet iemand, als hij premier is, dat maar voor lief nemen.

Erdogan is het daar niet mee eens: deze week werd bekend dat hij hoger beroep aantekent tegen het vonnis. Het is een zaak die ik met belangstelling tegemoet zie. Ook in Turkije immers zijn de beruchte Deense cartoons van de profeet Mohammed uitgebreid besproken. Op een conferentie waar Turkse en Europese journalisten elkaar ontmoetten, zei een Turkse journaliste vorige week nog vrij treurig dat de cartoons niet in Turkije zijn gepubliceerd. “Als je ze wil zien, moet je het internet op“, klonk het vrij droevig uit haar - overigens zeer seculiere - mond. Het argument was ook hier dat je mensen niet mag beledigen. En dus pasten Turkse journalisten het oude vertrouwde middel van de zelfcensuur toe: de staat in Turkije zou publicatie van de cartoons niet tegenhouden maar geen journalist wilde er zijn of haar vingers aan branden. De “goede smaak' gaat boven alles: niemand mag boos worden.

Maar hoeveel van de cartoons uit het museum zouden in Turkije zijn gepubliceerd, als iedereen er steeds maar voor was teruggedeinsd om mensen te beledigen? Neem het fantastische beeldje van Mete Göktürk waar drie rechters verveeld en chagrijnig in de verte staren. De beklaagde probeert vanuit de diepe diepte met de rechters te communiceren maar het interesseert hun geen lor. Het beeldje is niet vleiend voor de rechterlijke macht (waar blijft de aanklacht op basis van artikel 301 en de Turkse “nationale identiteit'?) maar het is een pregnant commentaar op de rechtsstaat in Turkije. Of wat te denken van de prent van Mustafa Bilgin die het Turkse militarisme op de hak neemt. De tanks rijden voorbij, iedereen juicht, behalve een aantal veteranen. Zij weten wat er gebeurt op het slagveld en houden een bordje “Nee tegen de oorlog' in de lucht. Of neem ten slotte de twee poppen van Ercan Akyol die de maffia en de Turkse politici lijken te symboliseren: de politicus denkt dat hij de maffia controleert maar uiteindelijk is het de maffiabaas die aan de touwtjes trekt.

Zulke cartoons zijn extra pregnant in een land als Turkije, waar de “goede smaak' vaak gebruikt werd als slogan om de mensenrechten met voeten te treden en de oppositie te muilkorven. Het is dan ook geen toeval dat het museum na de militaire staatsgreep van 1980 werd gesloten. In het museum is een wrange verwijzing naar zo'n duistere periode in de Turkse geschiedenis te vinden. Na de Tweede Wereldoorlog werd de term “yakilacak kitap' (een boek dat verbrand moet worden) gebruikt voor linkse lectuur die verboden was omdat ze de mensen maar subversief en communistisch zou maken. De spotprent “Okurken' (Al lezend) laat iemand met zo'n boek zien. De kachel brandt al. De prent uit 1956 is van een heerlijke dubbelzinnigheid: is het werkwoord “lezen' nog wel te gebruiken in een land waar “foute' boeken direct verbrand moeten worden?

En zo brachten de cartoons mij uiteindelijk weer terug bij de rechter uit Ankara die premier Erdogan zo moedig terecht wees. De persoonlijke gevoelens van Erdogan (de premier heeft het in de aanklacht over “pijn' en “leed') zijn belangrijk. Maar nog belangrijker is het grote goed van de vrijheid van meningsuiting. En uiteindelijk is iedereen gelukkiger in een maatschappij waar je boeken mag lezen en ze niet direct in de kachel hoeft te stoppen. Zou iedereen in Turkije die voorkwam dat de Deense cartoons werden gepubliceerd, daar niet eens goed over na moeten denken?

    • Bernard Bouwman