Dakloos in de wereld

Door globalisering komt alles onder druk te staan, van de democratie tot de nationale staat. Is dat reden voor een feestje - of juichen we dan te vroeg? Twee filosofen laveren tussen de kansen en bedreigingen van een wereld waarin alles met alles samenhangt.

Jon Gundersen, ‘Northern Hemisphere’ Bergen Kunstmuseum, Noorwegen

Het lijkt allemaal heel gewoon, maar het weerbericht blijft een revolutionaire gebeurtenis die zich dagelijks in alle woonkamers afspeelt. De satellietbeelden tonen ons de wolkenmassa's die de komende dagen over het land zullen trekken. We zien het ruimtebeeld van de eigen wereld alsof het een vanzelfsprekendheid is. Toch zou men daarin de voltooiing kunnen zien van de onderneming, die begon met de ontdekkingsreizigers in de vijftiende eeuw.

Deze visie heeft geleid tot een wereldbeeld, dat is gebouwd rond het begrip globalisering. Dat begrip is zeker niet onproblematisch is, zoals wel blijkt uit twee recente filosofische beschouwingen over het verschijnsel. Want hoewel de ontsluiting en voortschrijdende vervlechting van de wereld als een bevrijding kan worden opgevat, is het tegelijk duidelijk dat de wereldomspannende economie een zware beproeving vormt voor de traditionele democratieën, die immers grote moeite hebben burgers afdoende te beschermen.

Daarmee is het denken over de globalisering veel meer dan een academische aangelegenheid en de inzet geworden van heftige maatschappelijke conflicten. De angst voor concurrentie van de lage lonen landen, de vrees voor onbeheersbare migratie en zorgen over het mondiale klimaat halen veel van de klassieke tegenstellingen in de politiek overhoop. Hervormingszin en behoudzucht verdelen momenteel links en rechts in gelijke mate.

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk verwijt de moderne filosofie geen oog te hebben gehad voor de omwenteling die we globalisering noemen. Hij uit op een geestige manier zijn onvrede over de academische filosofen: “Hun intellectuele positie is te vergelijken met die van welopgevoede, fijngevoelige maffiosi-dochters, wier levensgeluk gebaseerd is op het feit dat ze gehuld blijven in een wolk van onwetendheid omtrent de oorsprong van de vaderlijke welstand'. De verlichtingsdenkers zijn soeverein over de problematische kanten van de Europese verovering van de wereld heen gestapt, hebben eigenlijk het hele verschijnsel van de globalisering dat er uit is voortgekomen nooit op waarde geschat.

Ook de Groningse filosoof René Boomkens heeft nogal wat kritiek op de manier waarop de academische filosofie met de globalisering omgaat. Op een eigen manier ondervraagt hij de traditie van het verlichtingsdenken. Het filosofische ongemak over de globalisering verklaart hij uit “aspecten als onvermijdelijkheid, onstuurbaarheid en centrumloosheid die ermee worden verbonden'.

Beiden zoeken naar een nieuwe plaatsbepaling van de filosofie. Temidden van de omvangrijke bijdrage van disciplines als de economie, de geografie of de antropologie, lijkt die eigen rol van de filosofie te liggen in het scheppen van verbindingen, in het overdenken van de grote verbanden. Je zou zeggen dat een alles-hangt-met-alles-samen onderwerp als de globalisering daar bij uitstek om vraagt. Sloterdijk en Boomkens zijn onbekommerde eclectische denkers: ze zetten Jules Verne en Heidegger of Walter Benjamin en Elvis zonder probleem naast elkaar. De filosoof als go-between tussen de wetenschappen, de literatuur en de beeldende kunst is een mooie opdracht. In de grabbelton van de globalisering gedijen de generalisten. Beide boeken worstelen met de weidsheid van het onderwerp, maar bieden door hun avontuurlijke aanpak ook veel stof om verder te denken.

Het vertrekpunt van Boomkens is helder: de globalisering brengt een afscheid met zich mee van het geloof in de maakbare samenleving. Het postmodernisme heeft die beweging in gang gezet en in onze tijd maken we een verheviging mee van die breuk met de moderne tijd: “Globalisering betekent zoveel als het einde van veel van het denken in termen van projecten en dat roept veel grotere vraagtekens op jegens noties als emancipatie, beschaving of Verlichting dan de postmodernisten formuleerden'.

Daarmee zet Boomkens hoog in, want hij schudt aan de fundamenten van de westerse samenlevingen, die zichzelf immers zien als dragers van de belofte van emancipatie. De langzame uitbreiding van het idee van burgerschap, waarbij steeds nieuwe groepen zich uit een ondergeschikte positie konden bevrijden, is een van de drijvende ideeën achter de liberale democratieën. Ook in onze tijd wordt die mogelijkheid voorgehouden aan nieuwkomers die van heinde en verre naar Europa en Amerika komen.

Waarom maakt de globalisering een einde aan “noties als emancipatie, beschaving of Verlichting'? Het gaat Boomkens vooral om het einde van de illusie van het zelfstandig handelende individu, die redelijke beslissingen kan nemen. We zijn allemaal verstrikt geraakt in web van “onbedoelde gevolgen' die niemand meer kan overzien of richting kan geven. “Globalisering komt als het ware van hoger hand', schrijft hij, elke gedachte van sturing door besluitvorming is langzaamaan achterhaald.

Dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop moderne burgers zichzelf zien: “Het is zelfs denkbaar dat ,,wij“ allang in stilte afstand hebben genomen van het besef deel uit te maken van een ,,nationale“ gemeenschap'. Die breuk wordt vooral veroorzaakt door de moderne media en de massacultuur. Boomkens is op dreef in zijn beschouwing over de razendsnelle verbreiding van de populaire muziek en het verval van de rangorde van “hoge' en “lage' cultuur, dat hij een wezenlijke verworvenheid vindt van de globalisering.

Terwijl Sloterdijk diep in de geschiedenis duikt en zich zo wapent tegen de verleiding om de eigen tijd als een breukvlak te zien, weerstaat Boomkens die uitvergroting van de hedendaagse wereld niet. Het veelvuldig gebruik dat hij maakt van het bijvoeglijk naamwoord “radicaal' maakt een ietwat machteloze indruk. Te pas en te onpas benadrukt hij het “radicaal nieuwe' van ontwikkelingen, terwijl zijn beschrijvingen al te vaak de herinnering aan een voorgeschiedenis oproepen.

Neem bijvoorbeeld zijn kenschets van de ondernemers, wetenschappers, schrijvers en kunstenaars uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw als een “elite die noodgedwongen ,,achter de dijken“ van de Nederlandse polder opereerde'. Dat is een grove vertekening. Denk maar aan de Nederlandse economie die al heel vroeg een open handelseconomie was, denk aan de koloniale verwikkelingen, maar ook aan de intellectuele en artistieke kruisbestuiving in Europa, waar schrijvers als Busken Huet of Huizinga van getuigen.

Boomkens lijkt zelf enigszins te schrikken van zijn afscheid van de maakbare samenleving. Aan de ene kant ziet hij de bevrijding, namelijk een weldadige bescheidenheid: “Leren leven met conflicten in plaats van conflicten willen oplossen: dat is de morele omslag waarop de globalisering uitzicht biedt. [] Die nieuwe wanorde is onze meest belangrijke politieke en culturele verworvenheid'. Dat die verworvenheid als “een bevrijding' wordt voorgesteld geeft trouwens wel aan dat hij niet helemaal los is van noties als emancipatie, die immers toch al sinds de Verlichting wordt gezien als “een uittreden uit de onmondigheid, die de mens aan zichzelf te wijten heeft'.

Aan de andere kant heeft hij wel oog voor de bedreigingen die de globalisering met zich mee brengt: “Tegenover de kansen die de ontheemding biedt, staan de grotere risico's die er mee samenhangen'. Boomkens pleit daarom voor een herwaardering van de behoefte aan continuïteit, sterker nog dat is “het wachtwoord van de komende decennia'. In de omschrijving zien we ook bij hem de erkenning dat een cultuur niet alleen bestaat bij gratie van creativiteit, maar ook leeft van continuïteit, die hij omschrijft als “een intergenerationele verantwoordelijkheid of betrokkenheid'. Maar verantwoordelijkheid waarvoor? Betrokkenheid waarbij eigenlijk? Wie zorgt voor dat behoudende verbond van generaties te midden van alle welkome verandering?

Hier wordt langzaamaan het parasitaire karakter van de nieuwe wanorde zichtbaar. Die leeft namelijk bij gratie van redelijk stabiele rechtstaten en verzorgingsstaten, bij gratie van veiligheidsgaranties en een verzekeringswezen. Wat door Boomkens wordt gevierd als een bevrijding van de maakbaarheid, blijkt bij nader inzien een verlangen naar grensoverschrijding dat vooralsnog stevig is ingebed in een tamelijk geordende wereld. En mocht die samenhang onverhoopt wegvallen, mochten belangrijke instituties als het onderwijs of de gezondheidszorg of de rechtspraak ten prooi vallen aan de “nieuwe wanorde', dan zal het feest van de globalisering dat Boomkens wil vieren niet zo'n vrolijk vervolg krijgen.

Hoe reëel is het vooruitzicht van een nieuwe wanorde eigenlijk? Peter Sloterdijk komt ogenschijnlijk tot een heel andere conclusie. Hij schetst een beeld van de westerse wereld als een grote “comfortzone'. We leven in een grote broeikas, een kristalpaleis. De nieuwe wanorde bestaat daarbuiten, aan onze onrustige grenzen, maar in de getemde wereld van de consumerende burgers is het overwegend rustig.. De comfortzone staat in een zee van armoede en we moeten onze wereldwijsheid matigen: “Het kosmopolitisme is het provincialisme van de verwenden'.

Toch is die rust een oppervlakkige waarneming. De moderne wereld is er een van verveling en stress: “deze beide grondtonen van het bestaan in het kristalpaleis zorgen voor een chronisch ambivalente stemming, waarin alarm en geruststelling elkaar afwisselen'. Dat zijn rake typeringen, want het onbehagen in de cultuur is ook temidden van een ongekende overvloed nooit helemaal weg. In tegendeel: er hangt wrokkigheid in de lucht die niet valt te negeren.

Sloterdijk spreekt zelfs over een “globaliseringsdrama': de kern daarvan ligt in de waarneming dat de maatschappelijke verbanden waaraan mensen bescherming ontlenen oplossen, zonder dat er nieuwe verbanden ontstaan. Na de stadstaat zorgde de nationale staat lange tijd voor een beschutting. Maar die staat onder een toenemende druk, nu de hele wereld steeds meer vervlochten raakt. Morele paniek kenmerkt de moderne mens, die zichzelf in een chaotische wereld terugvindt als “dakloze'. De wanden die ons beschutten worden steeds dunner.

De wijde wereld biedt geen houvast. Onder de druk van de uitdijende economie van de wereldmarkt komt de andere kant van het menselijk bestaan tevoorschijn, namelijk een hang naar protectionisme. Hij merkt op dat deze behoefte aan beschutting en afscherming hoort bij “de kenmerken van het eindige, concrete, ingebedde en voor overlevering geschikte leven'.

Hoe verdragen we de spanning tussen de behoefte aan lokale beschutting en de noodzaak van een globale openheid? Hoe voorkomen we dat het eigene en het vreemde tegenover elkaar komen te staan? Dat is de fundamentele vraag van deze tijd, die door Boomkens en Sloterdijk aan de orde wordt gesteld. Er zijn tekenen genoeg dat die polarisering in Europa en Amerika gaande is: een grenzeloze wereld kan gemakkelijk verleiders oproepen die meerderheden mobiliseren met de gedachte “vol is vol: sluit de grenzen'.

Zo bezien is de toon van Sloterdijk wel erg onthecht en is het nogal lichtzinnig om de mogelijkheid van een “wij' weg te gooien als een overblijfsel van oude tijden zoals Boomkens doet. Dat “wij' is altijd een onvoltooid project, een voortdurende zoektocht om nieuwe groepen te incorporeren, waardoor de betekenis van dat “wij' verandert. Daarbij kan het om stedelijke, nationale of bovennationale gemeenschappen gaan. Wie het opgeeft om de gemeenschap als een project te zien, dat principieel open staat naar de toekomst, maar wel een bewuste onderneming is, die maakt de globalisering onleefbaar en lokt een wrokkige afwijzing van de wereld uit. Dat zien we onder onze ogen gebeuren. Overal is men moderniseringsmoe, overal haken meerderheden naar het bestaande en zien in wat er komt vooral een verlies van verworvenheden.

Misschien komt de ietwat gelaten omgang met de globalisering bij Boomkens en Sloterdijk wel voort uit de morele mogelijkheden die ze in dit proces zien, ook al zeggen ze noties als “beschaving' te willen relativeren. Het is immers opmerkelijk dat beiden benadrukken dat de afhankelijkheden in de hedendaagse wereld zo groot zijn geworden, dat niemand het zich meer kan veroorloven om op eigen houtje te handelen. Sloterdijk schrijft: “Wederzijdse remming is de modus operandi van het postmoderne wereldsysteem als zodanig omdat dit op verdichting, terugkoppeling en netwerkvorming berust'.

Iedereen zal zijn aangewezen op een vorm van samenwerking. Besluiten nemen zonder acht te slaan op de gevolgen voor anderen is niet meer mogelijk. Was de moderniteit het heroïsche tijdperk van de daad, de postmoderniteit is het tijdperk van de verantwoording, aldus Sloterdijk. Kijk maar naar de berechting van iemand als Milosevic: er treedt een morele verzadiging op omdat de slachtoffers steeds vaker de daders met de gevolgen van hun misdadige gedrag confronteren. De daders kunnen zich niet meer verschansen achter hun eigen grenzen.

Zowel Sloterdijk als Boomkens koesteren de hoop dat de globalisering een wereld schept waarin machtsverschillen er steeds minder toe doen. Eenzijdig of unilateraal handelen is zinloos geworden. Ze verwachten dat het relatieve machtsverlies een beschavende werking zal hebben en grootschalige oorlogen tot iets van het verleden zal maken. Die hoop relativeert de “nieuwe wanorde' nogal.

Maar zal die verwachting uitkomen? Eigenlijk ligt er een nogal liberaal idee over zelfregulering en laissez faire aan ten grondslag. Boomkens schrijft gladweg: “de globalisering overkomt ons'. Dat is echt een te simpele voorstelling van zaken. De wereldmarkt is geen natuurverschijnsel, maar is afhankelijk van stabiele verhoudingen, nationaal en internationaal, die moeten worden georganiseerd. Het lijkt wel of de politiek achter de economie is teruggetreden, maar op het moment van openlijke crisis zal het tegendeel blijken.

Dat kunnen we in de geschiedenis wel zien. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog heerste een vergelijkbaar optimisme over de vredestichtende werking van een groeiende economische vervlechting. Die hoop werd wreed verstoord en de internationale handel stortte in. Die episode laat zien dat globalisering in de vorige eeuw niet gestaag toenam, maar pieken en dalen kende. Het heeft tot ergens in de jaren zeventig geduurd voordat het niveau van economische internationalisering van voor 1914 weer opnieuw was bereikt.

De globalisering van voor de Eerste Wereldoorlog berustte op de Pax Britannica, die van na de Tweede Wereldoorlog op de Pax Americana en misschien dat ons ergens in het midden van deze eeuw een Pax Asiatica te wachten staat. Anders gezegd: de liberalisering van de wereldhandel of van de financiële markten is de uitkomst van politieke besluiten en van op macht gefundeerde maakbaarheid. Daarmee is ook de kwetsbaarheid gegeven: de hedendaagse globalisering kan eindigen in geweld, in een overbelasting van het systeem, in een werkelijk nieuwe wanorde.

Voor iedereen zijn naast de mogelijkheden ook de risico's van de hedendaagse wereld duidelijk. Juist omdat de globalisering geen enkele garantie biedt voor vreedzame verhoudingen, is het loslaten van de maakbaarheid als horizon van het handelen zo'n slecht idee. Zo bezien is de globalisering geen afscheid van de moderniteit, maar een verheviging ervan. Ook onder deze nieuwe voorwaarden blijft het verhaal van de emancipatie en van de beschaving een onvoltooid project. Het is noch in beschrijvend, noch in normatief opzicht terecht om dat streven voor achterhaald te verklaren.

Bij alle gefilosofeer over de “nieuwe wanorde', beseft Boomkens onvoldoende wat nu precies de oude wanorde was. Misschien dat Boomkens die vraag niet onder ogen wil zien omdat dan de gruwelijkheid van de kleinere en grotere oorlogen uit de moderne geschiedenis van Europa moet worden besproken. De confrontatie met de “oude wanorde' maakt duidelijk dat het te achteloos gebruikte woord “wanorde' eigenlijk altijd de kiem van geweld in zich draagt.

Een interview met René Boomkens uit Boeken&cetera is te zien op www.boeken.vpro.nl

Peter Sloterdijk: Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering. Vertaald uit het Duits door H. Driessen. Sun, 312 blz. euro 34,90

René Boomkens: De nieuwe wanorde. Globalisering en het einde van de maakbare samenleving. Van Gennep, 328 blz. euro 22,50

    • Paul Scheffer