Bovenmenselijke boodschappen

God is overal. En van tijd tot tijd laat Hij zich zien, voor wie er oog voor heeft. Een week geleden konden we in de krant lezen over de “wondervissen' van Liverpool: “ Honderden moslims hebben zich bij een huis in het Britse Liverpool gemeld om twee tropische vissen te zien die in het Arabisch de woorden “Allah' en “Mohammed' op hun huid lijken te dragen. De 23-jarige eigenaar Ali Al Waqedi had de vissen in een dierenwinkel gekocht voor zijn kinderen. “Het is een boodschap van Allah', zei hij.'

Het zou heel goed kunnen. In mijn knipselarchief, onder de B van Boodschappen (goddelijk), bevindt zich een vrijwel identiek bericht, van zes jaar geleden. Ook in Engeland, in Bradford, zo'n honderd kilometer van Liverpool vandaan. Een mevrouw sneed een tomaat in tweeën en zag toen in een van de helften het Arabische woord voor Allah staan, en in de tomaatadertjes van de andere helft de Arabische tekens voor “er is geen God dan Allah'. De tomaat in kwestie was gewoon bij de groenteboer op de hoek gekocht. Ook toen spoedden zich “honderden gelovigen' (geen tientallen, geen duizenden, maar “honderden') naar de plaats van het wonder.

Op grond van de overeenkomsten kan je denken dat het hier om rondzingende verhalen gaat, moderne legenden die op allerlei plaatsen kunnen opduiken, omdat er altijd wel weer iemand is die ze nieuw leven inblaast. En altijd is er wel weer een regionale krant die het bericht op de voorpagina plaatst - want de mensen lezen veel liever over een godswonder dan over het besluit van de deelraad om de aanleg van twee extra bushaltes in de Hoofdstraat nog even uit te stellen.

Het is ook mogelijk om op grond van de overeenkomsten tussen beide verhalen juist aan te nemen dat het hier inderdaad om goddelijke boodschappen gaat. Zo spreekt God, blijkbaar. Hij richt zich tot de nietsvermoedende gelovige, in de meest alledaagse omstandigheden, met toevallig aanwezige schrijfmaterialen (tomaat, vis). Zulke tekens zouden een aansporing kunnen zijn aan alle gelovigen om beter om zich heen te kijken, en aandachtiger te leven. Bij de katholieken zijn het altijd de Mariabeelden die beginnen te wenen, met een vergelijkbaar geloofverdiepend effect. En altijd zijn het jonge meisjes die in grotten opeens worden toegesproken door Mariaverschijningen. God is overal - dat is de troost die er vanuit kan gaan. En dit is de bijbehorende waarschuwing: wij worden altijd in de gaten gehouden, ook op de snijplank, ook vanuit de vissenkom.

Toen, ergens in de middeleeuwen, de monniken van het klooster van Clonmacnoise (Ierland) in de kapel aan het bidden waren, verscheen boven hun hoofd een schip. Het voer, of dreef door de lucht. Of het waar gebeurd is, weet natuurlijk niemand, maar het is wel opgetekend in de annalen van het klooster. De Ierse dichter Seamus Heaney las iets over deze wonderbaarlijke scheepsverschijning en vertelde het na in een van de gedichten uit zijn bundel Seeing Things (1991). De vertaling ervan, door Peter Nijmeijer, is nu opnieuw opgenomen in de bloemlezing Elektrisch licht.

Alles wijst erop dat de monniken een boodschap van omhoog gaan ontvangen, maar hoe? De monniken zien dat het anker van het schip is uitgeworpen. Het sleept achter het schip aan, en blijft achter het altaar haken. De grote romp van het schip komt met een schok tot stilstand. Zou dat de bedoeling zijn? Het altaar als halteplaats, plek bij uitstek om goddelijke mededelingen te doen? Of is het schip juist een vijandig schip, een duivels schip misschien wel, dat nu door de kracht van het kloosteraltaar tot stoppen, en tot inkeer wordt gedwongen? Alles is nog mogelijk. Wij weten niet meer dan wat Heaney ons in zijn korte, zakelijke verslag vertelt - en dat is niet veel meer dan wat de monniken eeuwen geleden in hun kronieken noteerden.

De monniken zien tot hun verbazing een lid van de bemanning langs het touw naar beneden glijden om het anker los te rukken van het altaar. Maar dat lukt niet. Dan wordt de monniken ook duidelijk dat dit niet zomaar een fantasieschip is, of een soort luchtballon in de vorm van een schip, zwevend door de hoge kapel. Voor de man die eruit is geklommen is het een echt schip, varend in echt water - en bij zijn poging om onder water het anker los te maken dreigt hij dan ook bijna te stikken. Misschien hoort dat nu juist bij een stichtende legende. Juist op dat moment begint God te spreken, of opent het altaar zich voor zijn redding, waarna de vreemde bootsman zich wel moet bekeren tot het ware geloof.

Niets van dat alles. De gebeurtenissen worden beschreven als een alledaags voorval, het gedicht doet er op krantenberichttoon verslag van, en de abt ontpopt zich als de eerste de beste EHBO-er. Dat gaat niet goed daar, zie je hem denken. Hij zegt: “Deze man kan ons leven hier niet verdragen / en verdrinkt, tenzij we hem helpen.' En dus, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, helpen de abt en zijn monniken hem met het losmaken van het anker. Het schip is bevrijd, en zeilt weer verder. De kloosterlingen zien de man snel weer omhoogklimmen, “out of the marvellous as he had known it', “uit het wonderbaarlijke zoals hij het gekend had.' Dan volgt het mooiste: het gedicht is hiermee ook meteen afgelopen. Geen verlossend woord, geen boodschap, geen bekering, geen banvloek - helemaal niets. In de vissenkom en op de groentesnijplank diende Allah zich aan, maar in de bij uitstek religieuze omgeving van een kloosterkapel zwijgt God.

Als een UFO is het schip de vrome wereld van het klooster binnengevaren, er is een mannetje uit het ruimteschip neergedaald en hem is zwijgend de helpende hand geboden. Dat is alles. De verschijning van de boot moet het wereldbeeld van de monniken aan het wankelen hebben gebracht. Kennelijk was er boven hun wereld nog een andere wereld, en kennelijk kunnen bewoners van die wereld niet in de onderwereld van het klooster leven - zoals een vis niet op het droge kan leven. De afdalende man moet ook verbijsterd zijn geweest: die trof daar onder water ineens een wereld aan met kloosters, kapellen, altaren en mannen in vreemde gewaden die daar rondliepen zonder te stikken. Wie trad nu op in wiens droom?

Het scenario deed me denken aan dat van de val van Icarus, zoals gezien door de ogen van Breugel. De boer ploegt voort, de herder blijft zijn schapen hoeden, de visser vist door en het schip vaart verder. Iedereen had iets wonderlijks kunnen zien: de eerste vliegende mens, Icarus die met zijn vleugels van was te dicht bij de zon was gekomen en nu in zee valt, dicht bij het schip. Maar blijkbaar zag niemand iets, of begreep men er niets van. Het schip “moest ergens op tijd zijn en zeilt rustig voort', zo heet het in de slotregel van het gedicht van Auden over dit schilderij, in de vertaling van Jan Emmens.

Zo lijkt het ook bij Heaney te zijn. De abt ziet de vreemdeling worstelen, biedt hem de helpende hand en laat hem dan rustig weer naar zijn vreemde bovenwereld vertrekken. Het staat er niet, maar net als bij Auden lijken de mensen wel wat beters te doen te hebben dan naar wonderen te kijken. Alles goed en wel, maar nu wegwezen met je toverschip, hoor ik de abt van Clonmacnoise denken. Wij hebben geen tijd voor die onzin, wij moeten verder met bidden.

Seamus Heaney: Elektrisch licht. Gevolgd door een selectie uit Het eerste koninkrijk. Vertaling Hanz Mirck en Peter Nijmeijer. Meulenhoff. 136 blz. euro 18,50.
    • Guus Middag