Bellenblaas uw tekening gerust

Geen intiemer medium in de beeldende kunst dan de tekenkunst. Emma Dexter, conservator van de Tate Modern in Londen, heeft het zelfs over “bedroom art'. Ze schreef de inleiding bij Vitamin D, een internationaal overzicht van hedendaagse kunstenaars die wel andere disciplines bedrijven maar bij wie het tekenen toch op de eerste plaats komt. Zo'n eigentijdse “global survey' ligt niet vaak in de boekhandel.

Voor de lijst van 109 uitverkoren kunstenaars in dit Vitamin-- met bekenden als Vik Muniz, Raymond Pettibon, William Kentridge, Kara Walker en Nedko Solakov én volstrekt onbekenden - zijn wereldwijd tachtig museumdirecteuren, conservatoren en critici geraadpleegd. Maar hun voorkeuren zijn niet te traceren. De timing van dit boek “klopt', aldus Dexter, want de tekenkunst is op recente Amerikaanse beurzen en biënnales de videokunst en fotografie aan het verdringen.

Onder die tachtig raadgevers zit geen enkele Nederlander, maar als kunstenaar komen we er wél twee tegen: Marlene Dumas, zeer begeerd door Amerikaanse collectioneurs, en Mark Manders. Een begrijpelijke, maar ook een behoudende keuze als je hun werk afzet tegen de lefgozerige, soms balorige tekeningen van jongere collega's als Charlotte Schleiffert en Erik van Lieshout.

Die 109 favorieten, vooral eind-dertigers en veertigers, zijn in Vitamin D alfabetisch gerangschikt, voorzien van een highbrow toelichting op hun werk en van een korte biografie. Met reproducties is ruimhartig omgesprongen, zodat je méér bijblijft dan een vluchtige impressie die op een toevalstreffer gebaseerd kan zijn.

Highbrow is trouwens ook de inleiding. Eigenlijk een te vriendelijk adjectief: die inleiding is geeuwverwekkend ontoegankelijk, en dat kan je zelfs met een volstrekt willekeurig gekozen zinsnede illustreren. Dexter: “Artists have created various alter egos to act as fictional authors or as alibis to avoid accusations of naiveté in their expressive and narrative-based drawings, an act driven by the high seriousness of the drawings' monumental scale and serial nature.'

Op zulke leesmomenten blader je toch graag door naar de afbeeldingen. En dan besef je weer dat stijl, thematiek en techniek bij zo'n verzamelboek onvermijdelijk sterk uiteenlopen. Om als recensent te beweren dat je in die jungle overkoepelende verbanden en rode draden ontwaart, is een kwestie van lef en arrogantie. De Chinees Cai Guo-Qiang bijvoorbeeld tekent met buskruit, de Fransman Roland Flexner bellenblaast met oost-indische inkt en de Britse Tacita Dean krast cartografische lijnen in albast. Hoezo samenhang? En terwijl de Amerikaan Russell Crotty overdag met pijnlijke potloodprecisie op papier zet wat hij 's nachts vanuit zijn eigen observatorium aan nevels waarneemt, photoshopt zijn landgenoot Jesse Bransford een hele santenkraam van symbolen, gravures en systemen bij elkaar, om er grafische, reclame-achtige museumwanden uit te componeren waar geen touw aan valt vast te knopen.

Wat vooral opvalt in Vitamin D is het gebrek aan eigen en eigenzinnige handschriften, alsof het computergebruik het ontwikkelen daarvan al aardig heeft ingeperkt. Er zijn nogal wat kunstenaars die dat gemis compenseren door voor het tegenovergestelde te kiezen: kunstig fotorealisme, zonder enige persoonlijke toets. Met grafiet en vlakgom weet bijvoorbeeld de Italiaanse kunstenaar Serse tekeningen te maken van spiegelende wateroppervlakten, dreigende golven en plonzende waterdruppels die in scherpte de fotografie waarachtig overtreffen. Je kan natuurlijk ook die scherpte laten varen en taferelen afbeelden die aan onscherpe, nachtelijke foto-opnamen doen denken, wat de Amerikaan Banks Violette doet als hij in een roetzwart vlak koplampen als vlekken laat oplichten.

Behalve dat gemis aan bijzondere handschriften, is een ander opvallend fenomeen: het cartoon-gehalte van nogal wat tekenwerk. Het is blijkbaar trendy om zo harkerig mogelijk cartooneske figuren af te beelden die in een plas van wit papier iets bijzonders staan te wezen wat je als toeschouwer volledig ontgaat. Al die objecten, beesten en karikaturale koppen, in vette inktcontouren en in een beperkt Fokke en Sukke-idioom, hebben eerder iets met tekenpret dan met tekenkunst te maken. “Het mag vooral nergens over gaan', moet menig kunstenaar gedacht hebben. Jammer, want de Iraanse Marjane Satrapi heeft de afgelopen jaren met haar tweedelige autobiografie Persepolis laten zien dat zelfs een kinderlijke stripstijl zich ertoe leent om heel genuanceerd een persoonlijk drama vorm te geven. Een kwestie van goed kunnen kijken en iets te vertellen hebben.

Bij Marjane Satrapi was dat het relaas over de terreur en vrouwenonderdrukking die ze in het moslim-fundamentalistische Iran aan den lijve ondervond. Haar werk ontbreekt in Vitamin D omdat het vermoedelijk niet tot de autonome tekenkunst mag worden gerekend. Blijkbaar heeft dat opheffen van grenzen tussen de meest uiteenlopende disciplines - na jaren van debat toch algemeen aanvaard - ook zo zijn grenzen.

Vergeleken met Satrapi is veel postmodernistisch werk in Vitamin D gelikt en bloedeloos. Alsof het tekenen als avontuur is afgezworen en ergens ter wereld een kunstjury heeft bepaald dat men alleen nog met voorbedachten rade aan het tekenen mag slaan: schematische patronen, structuurvariaties, lichtzinnige tekenfilm-connotaties en fotorealistisch vernuft. Natuurlijk zijn er kunstenaars die zich niets aan trends gelegen laten liggen, zoals Michaël Borremans en Chloe Piene.

In weifelende tekenlijnen tast de Amerikaanse Chloe Piene steeds een lichaam af. Dat lichaam masturbeert, aldus de toelichting, maar daarover is weinig tot niets prijsgegeven. Het is griezeliger: het is een lichaam - of een fragment daarvan - dat steeds tussen leven en dood zweeft en die onzekerheid wordt vergroot doordat niets in de lijnvoering enig houvast biedt. Soms schemeren delen van het skelet, van organen, door de huid heen, soms laat Piene ledematen in wolkenachtige contouren van het lichaam weglopen.

Dat zijn in dit boek wat mij betreft de meest intrigerende kunstenaars: zij die innig en eigenzinnig in stijl en beeld een wereld oproepen waar je niet meteen grip op krijgt. Ook Michaël Borremans valt in die categorie. Hij is eigenlijk nergens thuis te brengen. Hij tart de toeschouwer met zijn pseudo-realisme, omdat er in zijn verdacht rustige taferelen iets wrikt waar je geen vinger achter kan krijgen. Met potlood en waterverf roept hij een grauwe, vooroorlogse sfeer op, met mensen die iets doen of laten, alsof ze - net als in een moordadige dictatuur - daar door hogere machten toe worden gedwongen. Zo zie je ruggelings een man die als een brave werknemer aan een witte tafel het uitzicht op een berglandschap tekent, ware het niet dat datzelfde berglandschap al als een schilderij - en niet als een raam - pal voor zijn neus hangt.

Borremans gebruikt van alles, uit kranten, boeken en archieven. Hij werkt traag, en laat een tekening lange tijd ongemoeid als hij niet weet hoe het verder moet. En dat niet zo snel hoeven te scoren, zie je aan zijn werk af. Want strikt je eigen weg gaan in een zelf ontworpen wereld, zoals ook zijn landgenoten Patrick van Caeckenbergh en Thierry de Cordier laten zien, vergt tijd en inzicht, twijfel en integriteit in een innerlijk aftasten wat volledig haaks staat op de cartooneske flauwekul waar menige collega mee probeert weg te komen.

Misschien doen ze dat wel om de kunstmarkt op te denderen, waar steeds meer tekenaars hun opwachting maken - als we Emma Dexter moeten geloven.

Vitamin D. New Perspectives in Drawing. Phaidon, 350 blz. euro 69,95

    • Marianne Vermeijden