Zanger van diep doorvoelde smart

'Dearest darling', begon Gene Pitney zijn gezongen brief aan de geliefde die hij bedroog. De smartelijke stem en de waarachtige emotie maakten Twenty four hours from Tulsa (1963) tot een van de indringendste liedjes uit de pophistorie. Het licht van een wegrestaurant en de romantische muziek op de jukebox hadden hem voor een ander doen vallen. Gene snikte het bijna uit: 'And I can never, never, never go home again.'

Gene Pitney, die na een concert gisteren op 65-jarige leeftijd onverwacht overleed op zijn hotelkamer in het Britse Cardiff, had zijn grootste successen in de jaren 1961-1968. Hij groeide op in Rockville, Connecticut en begon op school zijn eerste groep Gene and the Genials. Als beginnend songschrijver in het New Yorkse Brill Building leerde hij Burt Bacharach, Hal David en Phil Spector kennen. Hoewel hij zelf hits schreef voor The Crystals, Ricky Nelson en Bobby Vee, haalden Bacharach & David hem over om hun composities te zingen. Met zijn krachtige stem zong hij (The man who shot) Liberty Valance, Only love can break a heart en nog veertien andere songs naar de hitparade.

Twenty four hours from Tulsa was niet zijn grootste hit, maar wel het lied waarmee hij wereldwijd bekend werd. De Rolling Stones waren fans en in ruil voor hun song That girl belongs to yesterday speelde Pitney piano op enkele van hun platen. Zijn gezongen melodrama bereikte een hoogtepunt in Something gotten hold of my heart (1968) dat twintig jaar later de eerste plaats van de Engelse hitparade bereikte, in duet met zijn bewonderaar Marc Almond.

Zijn latere jaren sleet Gene Pitney met golden oldies-tournees, countrymuziek en platen in het Italiaans. Altijd besloot hij zijn show met de diepgevoelde verzuchting dat hij nooit, nooit, nooit meer naar huis kan.