Saddam Hussein doet Tony Blair de das om

Hoe zal 'de geschiedenis' oordelen over Blairs buitenlands beleid? Gunstig, als 'Irak' er maar niet was geweest, meent Timothy Garton Ash.

Wanneer Tony Blair de politiek verlaat - zullen we zeggen in mei 2007?- zullen de wereldmedia onmiddellijk een oordeel vellen over zijn buitenlands-politieke nalatenschap. De premier lijkt daarop vooruit te lopen door alvast zijn eigen oordeel te vellen in een reeks belangrijke speeches, te beginnen met zijn lezing over Groot-Brittannië en Europa in het Centrum voor Europese Studies in Oxford in februari, die werd gevolgd door een serie van maar liefst drie toespraken over het buitenlandse beleid, waarvan hij er twee de afgelopen weken in Londen en Canberra heeft gehouden. Ofschoon die speeches eindigen met een agenda voor de toekomst, hebben ze een uitgesproken retrospectief, rechtvaardigend en hier en daar zelfs weemoedig karakter - misschien nog wel sterker dan Tony Blair zelf beseft. Ze zouden zelfs, met betrekkelijk kleine redactionele ingrepen, door een oud-premier kunnen worden gehouden op het Wereld Economisch Forum in Davos.

Dergelijke instant-beoordelingen of, in dit geval, beoordelingen vooraf hebben natuurlijk iets mals. Bij zulke gelegenheden halen door de wol gewerfde oudere staatslieden onveranderlijk de woorden van Zhou Enlai aan, die, gevraagd naar zijn oordeel over de Franse Revolutie, antwoordde: 'Daarvoor is het nog te vroeg.' Ik zal mijn lezers dankbaar zijn als zij een betrouwbare, oorspronkelijke bron van dit beroemde citaat kunnen aanwijzen, want ik ben er nog altijd niet van overtuigd dat Zhou Enlai het werkelijk heeft gezegd.

Maar dat hindert niet: de mensen blijven dit soort uitspraken aanhalen omdat wij, ook al heeft de persoon in kwestie ze nooit gedaan, toch vinden dat íémand het moet hebben gezegd, omdat het zo'n belangrijke waarheid is. Om een weloverwogen, duurzaam oordeel over een historische gebeurtenis te kunnen vellen moet je weten welke gevolgen ze heeft gehad, maar het kan tientallen jaren of zelfs eeuwen duren voordat die al dan niet beoogde gevolgen duidelijk worden. En hoe ingrijpender de gebeurtenis, hoe groter de tijdschaal. (1989 heeft onze kijk op 1789 veranderd.) Dat heeft nooit iemand ervan weerhouden een gooi te doen, en waarom ook niet? Want al kunnen sommige dingen - gevolgen bijvoorbeeld - misschien alleen uit de verte correct worden getaxeerd, andere, zoals motieven, zijn vaak juist van nabij duidelijker. En het is zo leuk om te doen.

Laat ik er dan maar eens een slag naar slaan. Hoe zal de Geschiedenis oordelen over Blair als erflater van buitenlands beleid? Wanneer hij opstapt, zullen hij en zijn kabinetten Groot-Brittannië dan aan een betere plaats en een betere naam in de wereld geholpen hebben? Vooralsnog vindt hij dat hij dat verdient en dat het ook zo zou behoren te zijn, maar ik betwijfel of het echt zal gebeuren - en wel om één reden: Irak. Als je Irak wegdenkt, is Blairs staat van dienst wat het buitenlands beleid betreft voor het overgrote deel positief. Als je Irak wegdenkt, zouden velen die nu hoogst vijandig of cynisch over het Britse buitenlandse beleid oordelen, er min of meer welwillend tegenover staan. Onder die velen zullen heel wat Europeanen van het vasteland zijn, die tot aan het begin van de oorlog in Irak nogal onder de indruk waren van het Groot-Brittannië van Blair.

Dat gold ook voor vele moslims, niet in de laatste plaats Britse moslims, die Blair tot 2003 zouden hebben gewaardeerd om zijn positieve benadering van het multiculturalisme - met zijn interventie ten behoeve van Albanese moslims tegen christelijke Serviërs in Kosovo, en zijn pogingen om de Palestijnen aan een levensvatbaar land te helpen. En ten slotte ook Canadezen, Australiërs en progressieve Amerikanen, voor wie Blair tot dan toe tot op zekere hoogte een idool was.

Natuurlijk zouden wij, met de aan Zhou Enlai toegeschreven wijze uitspraak in het achterhoofd, moeten afwachten hoe het verder gaat in Irak. Maar gezien de toestand in dat land op dit moment, na drie jaar, ligt de kans op een zo spectaculaire verbetering dat die honderden miljoenen voormalige fans van Blair die zich van hem hebben afgekeerd, de invasie met andere ogen zullen gaan bezien, in de orde van 0,001 procent. Dat is misschien onbillijk van die voormalige bewonderaars, maar de premier weet heel goed dat de politiek, waar schijn en perceptie een zo grote rol spelen, een onbillijke wereld is.

De Irak-ellende overschaduwt en vergiftigt heel Blairs verdere buitenlands-politieke agenda. In de eerste van zijn drie speeches over het buitenlands beleid - op het Londense hoofdkwartier van Reuters - hield hij een uitgekiend, toekomstgericht betoog over de wortels van het jihad-terrorisme, en hoe je die moet aanpakken. Qua nuances en diepgang liet hij de jongste versie van de Amerikaanse nationale veiligheidsstrategie ver achter zich. Maar Irak moest hij natuurlijk wel goedpraten.

Het toeval wilde dat de voorzitter van de bijeenkomst, een trouwe aanhanger van Blair, de laatste vraag in de zaal gaf aan de voormalige Britse minister van Buitenlandse Zaken Douglas Hurd. 'Met alle mogelijke respect voor uw persoon en uw ambt', begon Lord Hurd - en toen was duidelijk dat Blair de volle laag zou krijgen. Hurd leverde een korte, vernietigende kritiek op de interventie in Irak, die naar zijn zeggen terroristen had gecreëerd die er eerst niet waren. De premier, die na de voltreffer onder de waterlijn door dit verbale Exocet-projectiel zienderogen slagzij maakte, had geen overtuigend antwoord.

Wanneer Tony Blair probeert Irak min of meer te rechtvaardigen in de geest van de strategische speech over humanitair ingrijpen die hij in 1999 in Chicago gehouden heeft, door Irak op één lijn te stellen met het Britse aandeel in de interventies in Afghanistan, Sierra Leone en Kosovo, doet hij daarmee de zaak van de oorlog in Irak geen goed; integendeel, hij schaadt de zaak van de vernieuwende, moedige en gerechtvaardigde interventies die eraan voorafgingen.

Maar dat is nog maar een deel van de schade. Irak overschaduwt heel de verdere Britse buitenlandse politiek, die voor een groot deel voortreffelijk is. Van zijn pleidooi voor humanitair ingrijpen tot zijn aandacht in de G8 voor klimaatverandering en Afrika, van zijn steun aan economische hervormingen in Europa tot zijn bredere agenda ten aanzien van de grote opgaven die de globalisatie stelt, is veel van wat Tony Blair zegt en in zijn buitenlandse beleid probeert te doen, niet alleen juist, maar ook goed gezegd.

Je zou kunnen tegenwerpen dat bij hem, net als bij Clinton, de praktische realisatie ver achter de hooggestemde retoriek aan strompelt, maar voor het buitenland is die kritiek minder billijk dan voor het binnenland. Om in het buitenland werkelijk iets uit te richten moet je namelijk bondgenoten en grote internationale organisaties als de Europese Unie, de G8, de Wereldhandelsorganisatie (WHO) en de Verenigde Naties in beweging brengen, en dat kost tijd.

Ach, had hij het maar opgenomen tegen de eurosceptische pers, en in Groot-Brittannië de Slag om Europa geleverd; maar hij heeft tenminste niet, zoals Margaret Thatcher, geprobeerd de Slag om Engeland over te doen in Europa. Ik denk dat wanneer het stof weer is gaan liggen, de positie van Groot-Brittannië in Europa beter zal zijn dan in 1997. En ze zou ook beter zijn in de wereld - als Irak er niet was.

Het Foreign Office, het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken, heeft zojuist een tweede versie uitgebracht van zijn overzicht van de internationale prioriteiten van Groot-Brittannië; de eerste dateert van drie jaar geleden. Het is niet alleen een heldere analyse van de wereld waarin wij leven, maar ook een verstandige, aantrekkelijke beschrijving van de rol van Groot-Brittannië daarin.

In dit document zie ik, net als in vele toespraken van Blair, het gezicht van een land waarop ik trots kan zijn: een moderner, meer op toekomst gericht, internationaler gezind, zorgzamer land dan tien jaar geleden. Was Irak er maar niet, dat als een zwarte bivakmuts dat gezicht aan het oog onttrekt.

Timothy Garton Ash is hoogleraar Europese Studies aan de Universiteit van Oxford.

    • Timothy Garton Ash