Nederland is 'Calimero met een slecht geweten'

Ook zonder Grondwet blijft Europa functioneren, constateert Ad Geelhoed, advocaat-generaal bij het Hof. Maar dat zal niet lang duren. Inefficiënt besluiten nemen 'heeft een prijs'.

Ad Geelhoed FOTO: Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

Nederland moet ophouden zich in Europa te gedragen als 'Calimero met een slecht geweten' en een voorbeeld nemen aan het zelfvertrouwen en het elan dat het Verenigd Koninkrijk, Ierland, de Scandinavische landen en de Baltische staten in Europa etaleren.

Dit welgemeende advies gaf de advocaat-generaal bij het Europees Hof van Justitie in Luxemburg, Ad Geelhoed, gisteren in Den Haag tijdens een spreekbeurt bij ICC Nederland, de Internationale Kamer van Koophandel.

Geelhoed belichtte de Europese crisis na de referenda van vorig jaar waarin Frankrijk en Nederland de Europese Grondwet afwezen. 'Nederland gedroeg zich als Calimero met een slecht geweten. De velen die tégen waren, beschreven in felle kleuren hoe weinig van Nederland zou overblijven als de Grondwet zou worden aanvaard.'

Het was 'verbijsterend', vond Geelhoed, te zien hoe 'de Nederlandse politieke elite' niet in staat bleek het belang van Europa over het voetlicht te brengen en er zo aan meehielp dat Europa 'gemakkelijk kon uitgroeien tot zondebok van alle ongemakken die ons teisteren'.

De gevolgen van de verwerping van de Grondwet vallen volgens Geelhoed voor het werk in Brussel nu nog wel mee. 'Het beeld van voortploeteren dringt zich op.' Maar negatieve gevolgen kunnen op den duur niet niet uitblijven, voorspelt hij, omdat 'inefficiënte besluitvorming een prijs heeft'. Geelhoed: 'Het Europees octrooi is nog steeds niet geregeld. En hoe komt dat? Omdat het door een kleine, gepassioneerde minderheid kan worden tegengehouden, zolang er met unanimiteit over moet worden beslist.' Volgens de Grondwet zou dat onder meerderheidsbesluitvorming vallen.

Meer zorgen nog zegt Geelhoed zich te maken over wat er op nationaal niveau in het Europese heartland aan de hand is. 'Een dramatisch klimaat van angstvalligheid en introvertheid. Er komen zelfs geen ideëen meer op tafel over waar het met Europa naar toe moet.' En als er wél ideëen op tafel komen - zoals in Frankrijk over 'economisch patriottisme' en 'nationale kampioenen' - getuigen ze volgens hem van 'gemakzuchtig populisme' en 'een verbijsterende naïveteit'. 'Frankrijk spant de ezel achter de wagen', oordeelt de advocaat-generaal.

De mondialisering gaat door, zegt Geelhoed, aanpassing van de Europese sociale modellen is onontkoombaar. Van 'Europa' mogen we op dat gebied geen oplossingen verwachten. Met een budget van één procent van het gezamenlijke bruto nationaal product kan de EU niet veel beginnen.

'De oplossing moet komen van de afzonderlijke lidstaten zelf', vindt Geelhoed. Voor Nederland betekent dat volgens hem vóór alles twee dingen: verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt en beter onderwijs, met name op lager en middelbaar niveau. Met 'verbazing en onbegrip' zegt Geelhoed te zien 'hoe de politieke en bestuurlijke elite niet in staat blijkt de kwaliteit van het primaire en secundaire onderwijs te waarborgen'. Wie dat verwaarloost, maakt elk streven naar een 'vitale kenniseconomie', zoals ook Nederland wil, op voorhand kansloos.

Europa moet zich, in Geelhoeds visie, beperken tot de interne markt, de muntunie, de gemeenschappelijke handelspolitiek, en betere samenwerking inzake energie en veiligheid. 'Europa moet vooral niet méér willen.'

Behalve dan, dat de EU-landen alsnog moeten proberen hun werkwijze doelmatiger te maken, zoals de Europese Grondwet beoogde. Volgens Geelhoed kunnen de grootste knelpunten - minder besluitvorming met unanimiteit en slechts een wetgevingsprocedure - door de regeringsleiders vrij gemakkelijk worden weggenomen, omdat daar overeenstemming over is.

Laden zij daarmee niet de verdenking op zich de Grondwet via een achterdeur (gedeeltelijk) in te voeren? Geelhoed: 'Dat risico loop je, maar ik vind het raar dat noodzakelijke besluiten nu vanwege de unanimiteitseis niet kunnen worden genomen, omdat één lidstaat de rest kan gijzelen.'