'Ik wil dat schrijvers er toe doen'

Thomas Vaessens wil dat schrijvers en boeken weer een rol spelen in het maatschappelijk debat. 'Gevaarlijke inhoud moet de discussie aanzwengelen.'

Thomas Vaessens Foto Jørgen Krielen ©Jørgen Krielen/Amsterdam 05-04-2006/ Thomas Vaessens Krielen, Jørgen

Wat het personage zegt, is niet voor rekening van de schrijver. Het is een klassieke letterkundige wet, die bovendien talloze schrijvers voor juridische repercussies heeft behoed. Maar de jonge professor Thomas Vaessens ziet het anders. In zijn oratie, waarmee hij vandaag het ambt van hoogleraar in de Moderne Nederlandse Letterkunde aan de universiteit van Amsterdam aanvaardt, noemt hij het principe een 'volmaakt excuus voor vrijblijvendheid'. Het zou literatuur 'machteloos' maken.

Met studies over het modernisme, Lucebert en postmoderne dichters leek Vaessens (1967) een archetypische geleerde te worden. Maar sinds een jaar richt hij zich op de maatschappelijke kanten van de literatuur. En schopt hij tegen heilige huisjes. Spraakmakend was begin dit jaar zijn opiniestuk waarin hij academici en critici aanspoorde de zapcultuur van studenten serieus te nemen.

Na de oorlog, stelt Vaessens, koesterde de samenleving grote verwachtingen ten aanzien van de rol van schrijvers bij de wederopbouw. Als casus gebruikt hij het proces uit 1952 tegen W.F. Hermans, die in Ik heb altijd gelijk de katholieken had beledigd. De vrijspraak van Hermans na beroep op de overtuiging dat personages en schrijver niet mogen worden gelijkgesteld, noemt Vaessens 'nogal teleurstellend'.

Was het beter geweest als Hermans was veroordeeld?

'Het was een spannend experiment geweest als Hermans had gezegd: 'Wat mijn romanpersonage beweert, heb ik zelf op genoeg andere plekken geroepen. Dus kom maar op!' Door zich te verschuilen achter zijn personage werd er niet ingegaan op de kwestie. Dat is jammer. In de dominante literaire traditie is de autonomie van het kunstwerk allesbepalend. Ethiek speelt geen rol. De mensen die boeken professioneel lezen en beoordelen branden hun vingers niet aan de strekking. Want het is maar literatuur. Inhoud speelt alleen bij andere culturen een rol. Dan prijzen we de dapperheid van schrijvers, zoals bij Rushdie.'

Maar als we de autonomie loslaten, betekent het dat schrijvers als Brusselmans en Houellebecq, die behoorlijk kwaadaardig kunnen zijn, worden veroordeeld.

'Ja. Maar het gaat mij er niet om schrijvers aan de schandpaal te nagelen. Door het schild van de autonomie worden romans een vrijplaats en hoeven schrijvers zich niet uit te laten over de inhoud van hun werk.'

Mag een roman geen vrijplaats meer zijn?

'Wat ik zou willen is dat schrijvers weer een rol spelen in de opinievorming en dat de inhoud van hun boeken zichtbaar wordt in het publieke debat. Schrijvers moeten er weer toe gaan doen. Nu is de schrijver alleen in commercieel opzicht zichtbaar. Je hoeft hem niet serieus te nemen als brenger van een nieuwe waarheid.'

Maar je kunt toch niet de autonomie willen opheffen en denken dat het geen repercussies heeft?

'Ik wil ook niet de autonomie opheffen. Schrijvers moeten in vrijheid kunnen werken. Maar literaire kritiek staat niet meer in relatie tot de maatschappij. Een gevaarlijke inhoud moet de discussie aanzwengelen.'

Is de manier waarop Michaël Zeeman de roman 'Casino' van Marja Brouwers omarmde, vanwege de kritiek op de generatie van '68, de morele en maatschappelijke literatuurkritiek die u voorstaat?

'Dat is een gelukkig voorbeeld. Ik ben niet tegen een recensie waarin de stijl wordt beoordeeld, maar dat acht ik toch minder waardevol. Een recensent zou bij de beoordeling van een roman ook zijn eigen ideeën en denkbeelden tegen het licht moeten houden, zoals Hans Goedkoop in de NRC ook wel deed. Literatuurkritiek moet niet komen van wereldvreemde mensen.'