Europees stilzwijgen

De stilte is oorverdovend. Het lijkt wel of in de Europese Unie de woorden 'grondwet' en 'toekomst' in de ban zijn gedaan. Dat is misschien ook zo, hoewel het op papier niet de bedoeling was van de Europese staatshoofden en regeringsleiders. Die namen op 18 juni 2005 een verklaring aan over de grondwet voor Europa, waarin werd opgeroepen tot een 'periode van bezinning', nadat Frankrijk en Nederland de nieuwe constitutie bij referendum hadden afgewezen. In hoogdravend jargon heette het dat van deze periode gebruik zal worden gemaakt 'om een breed debat in elk van onze landen mogelijk te maken, waarbij de burgers, de civiele samenleving, de sociale partners, de nationale parlementen en de politieke partijen zullen worden betrokken'.

We zijn bijna tien maanden verder. Van een debat is nauwelijks sprake. De bezinning werd een vrijwel volmaakt stilzwijgen. 'De civiele samenleving' heeft de aanmaning van haar politieke leiders naast zich neergelegd. Ze debatteert niet over Europa, maar houdt zich bezig met de zorg van alledag: overleven in een steeds concurrerender omgeving. Dit betekent dat de staat van verlamming waarin de EU verkeert, voortduurt na het Franse en Nederlandse 'nee' tegen het grondwettelijk verdrag.

Institutioneel is dat zo erg niet, omdat de Unie ook met de bestaande verdragen kan functioneren. Maar politiek is het veelbetekenend. In een rede over Europa waarschuwde de Duitse filosoof en politieke wetenschapper Jürgen Habermas er onlangs voor dat ook 'een niet-beslissing [over de grondwet en de toekomst van Europa] in deze situatie een beslissing is van grote reikwijdte'. Habermas zegt met recht dat de Unie door haar huidige inertie voor het eerst het gevaar loopt terug te vallen áchter het bereikte resultaat van eenwording.

Betekent dit dat het grondwettelijk verdrag dan alsnog moet worden geratificeerd, ook zonder de goedkeuring van de Europese grondleggers Frankrijk en Nederland? Dat zal moeilijk zijn, maar die vraag gaat voorbij aan de kern van de zaak. De politieke leiders van de EU hebben hun landen opgeroepen tot bezinning op de toekomst - en dat is (nog) niet of nauwelijks gebeurd. De conclusie moet dus luiden dat hun oproep niet overtuigde. Het was een loos gebaar om de eigen onmacht en verdeeldheid te verdoezelen. Burgers doorzien dat. Ze laten zich geen debat aanpraten als hun leiders zélf afhaken door gebrek aan inspiratie.

De Europese Volkspartij (EVP) van christen-democratische en liberale fracties in de EU toont iets dat op een initiatief lijkt. Ze heeft de grondwet andermaal onder de aandacht van de Europese regeringen gebracht. Doel is alsnog ratificatie. Belangrijker echter in dit stadium van onmachtige surplace is antwoord op de vraag welke richting de EU op moet. Blijft het een vrijhandelszone of eist een tijd van globalisering en opdeling in machtsblokken ook een eigen politieke en veiligheidsrol voor Brussel? Dat laatste lijkt haast onvermijdelijk.

Deze vragen doodzwijgen kan niet. Wegduiken achter een bezinningsproces is verantwoordelijkheid ontlopen. Het woord is aan de regeringsleiders.