Dames en heren!

Toen het campagneteam van Rita Verdonk me vorige week vroeg om haar speechschrijver te worden, begon ik eerst nogal te piepen. Dat is een beetje mijn makke: veel gepiep en weinig daadkracht - een tekortkoming waar ze in de VVD overigens niet vreemd van opkijken.

'Ik weet te weinig van politieke geschiedenis', zei ik tegen Kaj van de Linde, haar campagneleider. 'Zo'n speechschrijver moet erudiet met allerlei citaten van grote politieke leiders kunnen strooien.'

'Integendeel', riep Van de Linde verheugd uit, 'dan ben je juist onze man. Wij zoeken iemand die een zeer beperkt vocabulaire heeft, omdat hij na Pietje Bell eigenlijk geen boek meer heeft uitgelezen. Je mag als speechschrijver van Rita uit een voorraadje van niet meer dan dertig, hooguit veertig woorden putten. Het belangrijkste is dat in elke zin het woord 'duidelijk' voorkomt.'

'Maar dat is toch geen gehoor?' vroeg ik ontsteld.

Hij verzekerde me dat het prachtig kan klinken en hij gaf als voorbeeld de volgende zin die hijzelf al voor het eerste optreden van Rita had bedacht: 'Laat ik duidelijk zijn, ik durf duidelijk te zeggen waar het op staat.' Toen hij die zin een paar keer luidkeels ('dat hoort er wel bij') herhaald had, moest ik toegeven dat-ie lekker bekte. 'Je moet Rita er natuurlijk ook een beetje bij zien', voegde hij eraan toe. 'Dus inclusief dat manhaftige kom-maar-op-ik-lust-je-rauw-rechtdoorzee-lachje.'

'Zijn er nog meer woorden die er vaak in moeten voorkomen', vroeg ik, al wat bereidwilliger.

'Er is één formule waarmee je vrijwel elke alinea moet beginnen én afsluiten. En dat is de uitroep: 'Dames en heren!'

'Meen je dat?'

'Het zal fantastisch werken.' Hij ging voor me staan, keek me onverschrokken in de ogen en deed het volmaakte Rita-lachje. 'Zó moet ze opkomen', zei hij, en hij stak zijn kin vooruit en stapte met tamelijk logge tred op een denkbeeldig podium af. 'En dan moet ze zeggen: 'Dames en heren, voor alle duidelijkheid, ik doe het!'

Hij ging hijgend zitten. 'De perfecte opening. Jij hoeft daar alleen nog maar de bekende kletskoek aan vast te breien over nobele ondernemers, over de politie die de straat op moet, over beter onderwijs en over oudjes die met z'n vieren op een kamertje zitten.'

'Is dat wel verstandig?' vroeg ik nog, want ik meende te weten dat Rita al drie jaar in een kabinet zit dat voor een vlijtige politie, goed onderwijs en onze lieve oudjes had moeten zorgen. Kaj wuifde mijn bezwaren met één zwaai van zijn machtige armen weg. 'Die dingen moeten er altijd in, want daar scoorde Pim ook mee. Je hebt Pim toch wél gelezen, hoop ik?'

'Bijna alles', loog ik.

'Goed zo, want dat is de enige die je móét citeren - zonder bronvermelding uiteraard, want Pim had het vaak ook weer bij anderen gepikt.'

Ik aarzelde nog een beetje. 'Denk je dat ik zo'n redevoering lang genoeg kan maken?'

'Geen punt', lachte Kaj, 'Rita zegt heel vaak 'eh', dus als je te weinig materiaal hebt kun je haar steeds laten zeggen: 'Dames en eh... heren!' Dat vult gewéldig.'

Toen ben ik maar aan de slag gegaan.