Vooruit met de Marokkaanse leraar

Marokkaanse en Turkse leraren kunnen de oplossing zijn om culturele verschillen tussen onderwijzers en achterstandsleerlingen te overbruggen en de effectiviteit van zwarte scholen te verhogen, vindt Edwin van Rooyen.

De integratie van minderheden begint bij een goede opleiding. De doorstroming van allochtonen naar het hoger onderwijs komt weliswaar spectaculair op gang, maar de achterstand ten opzichte van autochtone Nederlanders is nog altijd groot. Twee situaties in het basis- en voortgezet onderwijs nopen tot het in overweging nemen van een pragmatische oplossing.

De eerste is het bestaan van culturele verschillen. Met taalachterstand behoren gedragsproblemen tot de belangrijkste oorzaken van achterblijvende leerprestaties van met name Turken en Marokkanen. Deze gedragsproblemen hebbendiverse oorzaken, maar zeker is dat hierin ontoereikende pedagogische en didactische vaardigheden alsmede inflexibliteit van leraren én slecht aansluitend onderwijsmateriaal meespelen.

Autochtone leerkrachten hebben vaak moeite om adequaat met culturele verschillen in multi-etnische klassen om te gaan, wat er bijvoorbeeld toe kan leiden dat zij ongemotiveerd raken om leerlingen tot goede prestaties aan te zetten.

Ook lijken ze weinig succes te boeken bij het betrekken van allochtone ouders bij het onderwijs. Daarnaast kan het deleraren ontbreken aan voldoende middelen om leerlingen die moeilijk kunnen aarden in het democratische, moderne onderwijs, op het goede spoor te krijgen. Disciplinaire maatregelen hebben niet altijd het gewenste effect.

De tweede situatie is het nagenoeg onvermijdelijke bestaan van zwarte scholen, wat direct in verband staat met stedelijke ontwikkelingen. Het is zeer twijfelachtig of segregatie in onderwijs en volkshuisvesting nog kan worden tegengegaan.Mede als gevolg van wettelijke grenzen, het keuzegedrag van burgers en politieke inflexibiliteit valt van de overheid weinig effectief beleid te verwachten.

Het risico is aanwezig dat onderwijsprestaties op deze scholen steeds verder afnemen, maar het is allerminst zeker of negatieve effecten daadwerkelijk zullen optreden. Er kan zelfs sprake zijn van een positief verband.

De onderwijsprestaties op zwarte scholen zijn weliswaar lager dan op andere scholen, maar dit lijkt nauwelijks door de concentratie zelf te komen. Het kan juist voordelig zijn om als achterstandsleerling op een zwarte school te zitten. Op zwarte scholen worden grotere “leerwinsten' geboekt dan op gemengde scholen.

Om de prestaties van allochtone leerlingen op school verder omhoog te stuwen en de culturele verschillen te overbruggen, moeten autochtone leraren beter worden toegerust op het omgaan met multi-etniciteit. Daarnaast, als men bereid is scholen niet zozeer te zien als een mengingsinstrument maar als een middel om sociaal-economische integratie te bevorderen, zouden zwarte scholen in staat gesteld moeten worden hun leerlingen te laten onderwijzen of begeleiden door leraren met dezelfde etnische achtergrond.

Een van oorsprong Marokkaanse leraar, die in Nederland is opgegroeid en zelf het hoger onderwijs met succes heeft doorlopen, kan de culturele verschillen makkelijker overbruggen dan zijn autochtone collega: hij is doordrongen van de dominante Nederlandse waarden en normen, begrijpt de culturele verschillen, kan bemiddelen en heeft, wegens zijn achtergrond, het gezag om op te treden. Zoals een buurtvader in een stadswijk succesvol kan zijn in de omgang met “zijn' jongeren, zo kan dat ook voor hem gelden. Hij kan de ouders wél bereiken.

De vraag dringt zich natuurlijk op wat de gevolgen zouden zijn van deze grotere concentratie van etniciteit op zwarte scholen. Marokkaanse jongens zullen wellicht meer nog dan nu al het geval is met elkáár optrekken en minder in aanraking komen met de Nederlandse taal.

Op het eerste gezicht lijkt dit een ernstig bezwaar. Creëren we als uiterste consequentie dan geen nieuw soort islamitische scholen? Het antwoord is “nee'. Het onderwijs wordt gegeven in de Nederlandse taal en blijft uiteraard gericht op het voorbereiden op een volwaardig bestaan in de Nederlandse samenleving. Daarbij hoort de uitdrukkingsvaardigheid in de Nederlandse taal, zoals ook kennis van de Nederlandse rechtsstaat, samenlevingsopbouw en geschiedenis daartoe behoort. Allicht zullen leerlingen soms met elkaar in hun tweede taal spreken. Dat gebeurt nu ook al. Handig is het dat de “nieuwe', allochtone leraar alles kan verstaan. Die zal met hun ouders de handen ineenslaan om hun kinderen met de nodige discipline tot goede schoolprestaties aan te zetten. Hij kan gemotiveerde jongeren afleveren die zodanig zijn opgeleid dat bedrijven hen graag willen hebben. Zo vinden ze aansluiting in de Nederlandse samenleving.

We kunnen er niet omheen dat tussen allochtonen en autochtonen een toenemende verwijdering optreedt. Bevolkingsgroepen mengen amper, melden CPB en CBS. Moeten we dan wel zo blij zijn met een zekere segregatie op zwarte scholen, alsof de huidige concentratietrends nog niet genoeg zijn? Het antwoord hierop zou ontkennend kunnen zijn, wanneer de omstandigheden anders waren. De nadelige gevolgen hoeven evenwel niet heel groot te zijn. Zich bewust van het belang van het organiseren van dwarsverbanden, iets waar de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling eerder aandacht voor vroeg, zou het onderwijs kunnen zorgen voor (meer) uitwisseling binnen en tussen scholen. Verder is het wellicht verstandig om niet al te dogmatisch met het streven naar vermenging van bevolkingsgroepen om te gaan, hoe belangrijk en wenselijk die ook is.

Laat het zo zijn dat allochtonen in hun jeugd minder met autochtonen hebben opgetrokken. Is dat zo'n probleem? Integratie begint met een goede opleiding en een baan, met het verwerven van een goede sociaal-economische positie. De rest, de sociaal-culturele integratie, komt vanzelf. Of niet. In dat geval zou sprake zijn van gesegmenteerde of selectieve integratie. Men kan zich afvragen hoe zwaar de nadelen daarvan wegen.

Allochtone scholieren moeten in staat worden gesteld op eigen kracht op de maatschappelijke ladder te klimmen. Dat bedrijven zich openstellen, dat zij de aansluiting mogelijk maken, is cruciaal. De minister van Integratie zou hiertoe veel actiever beleid moeten voeren. Universiteiten, pabo's en andere hbo's zouden voor voldoende aanwas van allochtone leraren moeten zorgen. Coachingsprojecten kunnen hierbij prima als voortraject dienen. Gemeentelijke initiatieven om deze en andere stimuleringsprojecten te starten, zou de rijksoverheid moeten steunen.

Edwin van Rooyen is politicoloog en docent aan de Haagse Hogeschool. Hij was initiatiefnemer en mede-organisator van een debattenreeks over de multiculturele samenleving in 2005. Een uitgebreidere versie van dit artikel is te vinden op: www.haagsehogeschool.nl