Voet

Het leven gaat door, altijd, ook als het lijkt stil te staan, zoals deze weken in het Van Gogh Museum, waar de onvergankelijkheid van de genieën Rembrandt en Caravaggio op de bezoekers neerdaalt.

Je hoort er eigenlijk alleen maar fluisterend rond te lopen, en dat doen de meeste bezoekers gelukkig ook. Intussen speelt zich in je hart een genadeloze tweestrijd af. Wie is beter? Rembrandt of Caravaggio? Rembrandt, veronderstelde ik patriottisch, vóór ik er heenging. Maar na een poosje rondkijken wist ik het niet meer zo zeker. De koele helderheid van Caravaggio, de directheid van zijn hartverscheurende tragedies, waarom zou hij minder zijn dan Rembrandt?

Ik dacht dat het jonge stelletje dat mijn blikveld blokkeerde, er druk over stond te discussiëren. Totdat ik Haar tegen Hem hoorde zeggen: “Ik heb de deur voor Els dichtgedaan. Zoals ze Karel laat bungelen, dan kan gewoon niet. Het vreet aan me.“

“Karel is te goed voor deze wereld“, zei Hem.

“Els verkijkt zich op de lichamelijke kant. Alsof dat álles is.“

Ze deden een stap opzij, zodat ik Rembrandts Batsheba in bad eindelijk volledig in het oog kon vatten. Dat is niet niets. Het lichamelijke mag dan niet alles zijn, het is wel véél. Ik zou het schilderij trouwens eerder Batsheba uit bad noemen, want ze zit naakt op een soort sofa, terwijl ze in haar rechterhand een briefje houdt.

Dát briefje.

Het was geschreven door koning David, die stoute plannen met haar had. Wat moest ze doen? Toegeven en haar man, de legerleider Uria, laten barsten? Of zou ze David maar even laten bungelen? Mijn blik dwaalde naar haar buik, die volle, romige buik, en ik dacht aan David, die in afwachting van het antwoord ongetwijfeld lag te masturberen in zijn vorstelijke legertent.

Plotseling zei een stem vlak naast mij: “Toch maak ik me behoorlijk zorgen. Ik heb die glassplinters er nog steeds niet uit.“

De spreker was een jonge suppoost die naast het schilderij op een krukje zat. Hij praatte op gedempte toon, maar toch duidelijk verstaanbaar, met een oudere collega. Ze waren van buitenlandse afkomst, maar hun Nederlands doorstond gemakkelijk de strengste Verdonk-toets.

“Ze zeggen dat het er met soda uitgaat“, zei de jonge suppoost somber, “maar ik merk er niks van.“

“Als je uit het soda komt, moet je met een doek stevig langs je zool vegen“, zei de collega, “je moet het er eigenlijk uitkloppen.“ Hij ging op één been staan, trok het andere een beetje op en maakte met zijn handen schuierende bewegingen.

“Gek“, zei de jonge suppoost, “als ik gewoon rechtop sta, dan voel ik het, maar als ik loop juist niet. Ik ben bang dat die splinters naar boven gaan en in mijn bloed dringen.“

De oudere collega schudde het hoofd. “Geen paniek. Waar ik vandaan kom, daar liepen de kinderen altijd met blote voeten op straat, ze trapten overal in en er gebeurde niks.“

“Ik ga toch maar naar de dokter.“

Ik keek weer naar Batsheba. Wat was er eigenlijk met háár voet aan de hand? Nu pas viel me op hoe liefdevol die rechtervoet verzorgd werd door een neerhurkende vrouw. Ja, dat was het, als je last hebt van je voet, heb je een vrouw nodig, geen collega, geen dokter, nee, een aardige vrouw.

    • Frits Abrahams