“Misdaad aller misdaden'

De afgezette Iraakse president Saddam Hussein is gisteren aangeklaagd wegens genocide op Koerden. Dit zal centraal staan op zijn volgende proces. De juridische lat voor veroordeling ligt hoog. Boze opzet moet bewezen worden.

Saddam Hussein vanochtend tijdens zijn proces wegens de dood van 148 shi’ieten in de stad Dujail. Hij beschuldigde de huidige regering ervan duizenden mensen te folteren en te doden. Foto AFP Former Iraqi President Saddam Hussien argues with Chief Judge Raiuf Rashid Abdel-Rahman in his trial held in Baghdad's heavily fortified Green Zone, 05 April, 2006. Saddam and seven co-defendants are on trial for torture, illegal arrests and the killing of nearly 150 people from Dujail after a 1982 assassination attempt on Saddam in the town. AFP PHOTO/POOL/DAVID FURST AFP

Na een half jaar komt het Iraakse speciale tribunaal toe aan de harde kern van de zaak tegen de afgezette president Saddam Hussein en naaste medewerkers: genocide (volkenmoord), op Koerden. “De misdaad aller misdaden“, zoals het tribunaal van de Verenigde Naties voor het voormalige Joegoslavië in Den Haag het heeft genoemd.

De voormalige president (thans rechter) van het tribunaal, de volkenrechtgeleerde Theodore Meron, waarschuwde tien jaar geleden dat “de misdaad van genocide een bijzonder zware bewijslast mee brengt“.

Toch heeft een VN-tribunaal al wel de eerste internationale veroordeling wegens volkenmoord na de Tweede Wereldoorlog uitgesproken, zij het niet het tribunaal voor Joegoslavië maar dat voor Rwanda. In 1998 kwam dit in Arusha (Kenia) gevestigde hof tot een veroordeling van Hutu-burgemeester Jean-Paul Akayesu wegens zijn rol in het uitroeien van Tutsi's. Belangrijk is ook dat in Arusha drie bazen van een radiozender zijn veroordeeld wegens het ophitsen tot etnische zuiveringen.

De term “genocide' is bedacht door een Poolse vluchteling voor Hitler, de volkenrechtgeleerde Raphael Lemkin, die met succes ijverde voor opname van dit delict in de aanklacht tegen de nazi-leiders in Neurenberg na de Tweede Wereldoorlog. Lemkin overleed eenzaam en berooid in 1959. Het universele misdrijf van genocide werd vastgelegd in een aparte Conventie (verdrag) van de Verenigde Naties uit 1948. Het omvat het geheel of gedeeltelijk uitroeien of vervolgen van een groep mensen op grond van hun ras, etnische afkomst, geloof of nationaliteit.

Opmerkelijk afwezig in dit rijtje is de politieke achtergrond. Dat werd er bewust uitgelaten. Voor strafbaarheid maakt het niet uit of het misdrijf wordt gepleegd in oorlogstijd of vredestijd.

De juridische lat voor veroordeling ligt bij dit delict inderdaad hoog. Dat zit hem vooral in het vereiste boze opzet om een bepaalde groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. “Dit opzet geeft het speciale karakter aan genocide“, aldus het Joegoslavië-tribunaal in 1999.

“Een precieze logica om te vernietigen“ dient buiten twijfel te staan. Bij het Joegoslavië-tribunaal is de ratio tot dusver één veroordeling wegens volkenmoord tegen zeven vrijspraken (de score van het Rwanda-tribunaal ligt beduidend hoger).

Centraal in de aanklacht tegen Saddam Hussein staan de gifgas- en conventionele aanvallen op Koerdische dorpen in Noord-Irak eind jaren tachtig. Waren deze etnisch van aard of politiek/militair? Dat zal wel een strijdpunt worden.

De rechtbank in Den Haag toonde zich in december in het vonnis tegen Saddams toeleverancier Van A. overtuigd dat het genocide was. Maar de Leidse hoogleraar internationaal publiekrecht Nico Schrijver vroeg zich in het Juristenblad openlijk af wat de betekenis van zo'n uitspraak-op-afstand is. Hij noteert dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de kwalificatie van genocide niet tegen Saddam heeft gebruikt (al is dit natuurlijk vooral een politiek en niet een rechterlijk orgaan).

En dan is er het tijdpad. Mede door het voorbeeld van het uitgedijde proces tegen Milosevic in Den Haag is in Irak besloten de aanklacht tegen Saddam Hussein op te knippen in twaalf stukken, te beginnen met een relatief beperkte aanklacht (de dood van 148 shi'ieten uit de stad Dujail in de jaren tachtig). De keerzijde van deze processtrategie is dat Saddam de doodstraf kan krijgen voordat de andere en veel ernstiger aanklachten aan bod zijn gekomen.

Dat risico is na het aansnijden van de genocide-zaak niet geheel verdwenen. De Iraakse wet bevat een bepaling dat een veroordeling tot doodstraf die in beroep is bevestigd binnen 30 dagen ten uitvoer moet worden gebracht. Uiteraard tenzij de president gratie verleent. Maar gratie ligt in het geval van Saddam niet in de lijn der verwachtingen. Het is nog steeds niet duidelijk hoe een eventuele doodstraf kan worden opgeschort om de andere zaken te kunnen af handelen.

    • Frank Kuitenbrouwer