Luister naar je lichaam

Ans Sauer is 70 en het bordje waaruit blijkt dat ze fysiotherapeut is geweest, hangt nog naast de voordeur. “Als je dat weghaalt“, zegt ze, “is de muur zo lelijk.“

A. Sauer (Hilversum, 29 dec. 1935) woont in Hilversum. Roger Cremers - 2006

Ze is opgegroeid in het Bloemenkwartier. Haar vader was elektrotechnicus. Hij heeft het theekastje getimmerd dat daar staat, en het lampje gemaakt dat erboven hangt. Hij zou jaren bij de Wereldomroep werken.

Zelf deed ze de mulo, het schoolgebouw aan de Rembrandtlaan waar ze nu schuin tegenover woont. Ze kreeg een kantoorbaan, maar daar had ze geen vrede mee, veel hoofdpijn. Toen was er een huisarts die zei: jij bent daar veel te beweeglijk voor.

Cursus pedicure, cursus sportmassage. Toen was er een badmeester die zei: jij zou fysiotherapie moeten gaan doen. Avondopleiding. Eerst heilgymnastiek en massage, daarna nog een jaar fysiotechniek. In 1966 gediplomeerd, en het was alsof de wereld op je had zitten wachten. Je vestigde je en je had meteen een wachtlijst.

Mensen werden doorverwezen door huisarts of specialist, díé schreef voor wat er met ze moest gebeuren. Maar in feite hadden zij, fysiotherapeuten, van botten en spieren méér verstand. En die erkenning kregen ze ook wel, in toenemende mate. Aan de andere kant: “Toen ze, de artsen, vonden dat wij te veel gingen verdienen, gingen ze toch op de rem staan.“

Mensen die hun lijf hadden gesloopt in hun werk: bouwvakkers, stratenmakers, fabrieksarbeiders met al dat overwerk dat indertijd van hen verwacht werd. Later kwamen de mensen die verkeerd achter de computer zaten (maar het kon ook zijn dat de computer verkeerd stond). En toen het joggen in zwang kwam - een golf van sportblessures.

“Al die modeverschijnselen“, zegt ze. “Nu dat nordic-walking weer.“

“Dat ziet er bespottelijk uit“, zeg ik, “maar niet als iets dat kwaad kan.“

En zij: “Alles wat fanatiek gedaan wordt, kan kwaad.“

Over het algemeen, zegt ze, wordt de omgang van mensen met hun eigen lichaam gekenmerkt door onwetendheid. En het is ook niet eenvoudig. Luisteren naar je lichaam, natuurlijk, maar hoe doe je dat eigenlijk? Er zijn zat pijntjes die vanzelf verdwijnen, even de tanden op elkaar en soms eerder meer bewegen dan minder. Maar op z'n tijd moet je ook zuinig weten te zijn. Want misschien word je wel honderd, en dan zou het toch prettig zijn als je nog kon lópen. Dus terughoudend (je knieën!) met afdalen in de bergen.

“Op het laatst“, zegt ze, “ben ik ook een vorm van manuele therapie gaan doen, een zachte vorm van losmaken van gewrichten vanuit de wervelkolom. Dat heb ik als een verrijking van mijn beroep ervaren. Heel vaak zit de basis van de klachten in de wervelkolom.“

Zwaar werk was het, fysiek én psychisch. “Mens mens, wat een ellende ik te horen heb gekregen. Dat komt: ze zitten niet tegenover je, ze hoeven je niet aan te kijken. Ze liggen op de bank of met hun hoofd op hun armen. Dat geeft een zekere ontspanning, en dan maar praten, praten.“

“Al dat lichamelijke“, zeg ik, “dat geeft natuurlijk ook een zekere intimiteit.“

“Je moet je grenzen stellen“, zegt ze. “Oppassen dat je niet op de stoel van de psychiater of de psycholoog gaat zitten. Oppassen ook voor claimgedrag - mensen die de neiging hebben zich je toe te eigenen.“

Zwaar werk, maar het was haar lust en haar leven. Het speet haar enorm dat ze het moest opgeven. Een jaar of zeven geleden. “Ik zat tegen een burn-out aan. Mijn moeder was ziek. Was mijn moeder beter, dan werd mijn man ziek. Was mijn man beter, dan werd mijn moeder weer ziek; zo ging het maar door.“

Haar man, Herman. Deze zomer zijn ze vijfentwintig jaar samen (maar niet getrouwd). Ze kende hem al. Iedereen in Hilversum kende hem. Hij had een zaak in huishoudelijke artikelen. Maar hij leerde haar pas kennen toen hij bij haar in de praktijk kwam. Hij leefde toen al een tijd gescheiden van zijn vrouw. Dus zij was daar niet de oorzaak van.

Scheiden was een schande. Je werd met de nek aangekeken; hij omdat hij zijn vrouw met zes kinderen had laten zitten, zij omdat ze het hield met zo'n man.

“Scheiden“, zegt ze, “is misschien nog steeds geen pretje, maar je zou toch zeggen... tegenwoordig...“

Herman is nu 82. In het bestaan van zijn kinderen hebben zij zich, tot het overlijden van zijn eerste vrouw, noodgedwongen op de achtergrond gehouden. “En daardoor“, zegt ze, “zijn ook de kleinkinderen verder weg van ons opgegroeid dan normaal.“

Dat zijn er elf, de oudste 22, de jongste 8.“

“Nu hebben we het“, zeg ik, “vooral over de fysieke kant van het leven gehad. Nu bent u 70, hoe is het nu met uw eigen gesteldheid?“

“Die is“, zegt ze, “niet best - voorzover ik het vertellen wil, of: voorzover ik het weet.“

“Niet?“

“Er zit veel stress bij. Mijn schildklier werkt op een zacht pitje. Ik heb een bloedarmoedeprobleem dat zich vooral uit in vermoeidheidsverschijnselen. De oorzaak daarvan is moeilijk te vinden. Het wachten is eigenlijk tot er iets uitbreekt wat duidelijk maakt: dat ís het, dat wás het.“

“Problemen voor de internist“, begrijp ik, “niet voor de fysiotherapeut.“

Maar er is ook iets met een rugwervel en een nekwervel en haar ene been blijkt nooit helemaal recht onder het bekken te hebben gestaan. Zodoende kan ze niet op één been staan om haar kousen aan te trekken. En dat kon haar moeder, toen ze 95 was, nog wel. Nou, dat irriteert haar.

“Eigenlijk“, zegt ze, “moet je dan voor een stevig spierkorset zorgen. Dat houdt je in evenwicht. Beenspieren, rugspieren, bekkenspieren... nu zit ik wel op fysiofitness, maar ik zou thuis ook oefeningen moeten doen en dat komt er vaak niet van. Wat dat betreft ben ik net als ieder ander, je reageert op klachten die je hebt, niet op klachten die je kunt verwachten.“

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.

    • Koos van Zomeren