Hooggestemde meubels en monumentaal glaswerk

Tentoonstelling: K.P.C. de Bazel, ontwerper voor de elite. Gemeentemuseum Den Haag, t/m 11 juni 2006. Di t/m zo 11-17 uur. Inl: 070-3381111, www.gemeentemuseum.nl

Servies van Van Bazel, 1920-1926 Foto Gemeentemuseum

De wereld waarin Karel de Bazel werkte en dacht is ons al bijna helemaal vreemd geworden. Het is een wereld waar de toegepaste kunst doordrenkt was van geloof en idealisme, terwijl diezelfde kunst tegelijk, in pijnlijke tegenspraak daarmee, alleen te betalen was voor een kleine, bevoorrechte elite.

K.P.C. de Bazel (1869-1923) is vooral bekend als architect van het imposante bankgebouw aan de Vijzelstraat in Amsterdam, de “spekkoek', waar binnenkort het Gemeentearchief zal zijn gehuisvest. Maar hij heeft ook rond de zeventig villa's gebouwd, en in zijn meubelwerkplaats, De Ploeg, werden op bestelling ameublementen, schilderijlijsten en andere interieuronderdelen vervaardigd. In zijn tijd was hij bekend en veelgevraagd, maar toch is de laatste veertig jaar geen uitvoerige aandacht aan hem besteed; aan zijn interieurontwerpen zelfs nog veel langer niet. Nu is er dus deze tentoonstelling, met als basis een gedegen maar nogal ondoordringbaar boek, geschreven door Yvonne Brentjens.

Behalve zijn interieurs krijgt ook het glaswerk aandacht, dat De Bazel ging ontwerpen toen hij in 1915 als eerste kunstenaar daartoe werd aangezocht door de Glasfabriek Leerdam. Maar de hoofdzaak zijn de meubels. Kasten, buffetten, eettafels en stoelen, en ook de beroemde wieg voor prinses Juliana uit 1909, een geschenk van “de vrouwen van Amsterdam“ voor het nieuwe koningskind. De verbazend smalle, hoge wieg van rozenhout en andere verfijnde materialen kostte destijds inclusief bekleding het ongekende bedrag van 15.000 gulden.

De Bazel was zo mogelijk nog hooggestemder dan zijn tijdgenoten. Hij was niet gewoon “rood', zoals Berlage en veel andere architecten, maar ook theosoof en vrijmetselaar, in de ban van ideeën over kosmos en wereldharmonie, die hij in de maten èn de decoraties van zijn meubels liet doorklinken. Daarbij was hij een toegewijd ambachtsman, die meteen na de lagere school bij een timmerman in de leer was gegaan, daarna de Academie had bezocht en vanaf 1889 zijn leertijd had voltooid bij het Amsterdamse architectenbureau van Pierre Cuypers, ontwerper van o.a. het Rijksmuseum.

In de witte zalen van Berlage's Haagse museumgebouw komen De Bazels ontwerpen niet tot hun recht zoals je ze zou moeten zien: als onderdeel van de wooncultuur van de Nederlandse elite, in volle, ietwat schemerige kamers waar men thee drinkt en in albums bladert terwijl dienstboden het werk doen. Opvallend zijn de boudoirmeubels voor mevrouw Gentis-Schuurman (c. 1900) van geel esdoornhout met inlegwerk, koperbeslag en blauw fluwelen bekleding. Het ameublement staat er wat ontheemd bij onder het toeziend oog van Madame Blavatsky, de grote theosofe, wier fotoportret in een esdoornhouten schilderijlijst is gezet.

Bij al zijn kwaliteiten heeft De Bazel uiteindelijk maar een paar keer iets tot stand gebracht dat de tijd heeft doorstaan: het genoemde bankgebouw, en sommige van zijn glasontwerpen. Het vederlichte “Glasservies H' bijvoorbeeld, met nauwelijks merkbare holle ribbel (de glazen waren zo moeilijk te maken dat de Leerdamse glasblazers opslag vroegen). Schitterende, gekleurde vazen ook, en niet te vergeten zijn ontbijtservies in persglas. Net als op veel van zijn meubels laat hij er een meetkundig systeem op los van tienhoeken en cirkels. Maar hier bereikt hij, misschien gedwongen door de beperkingen van het machinale procédé, echte monumentaliteit.

    • Ileen Montijn