Grootste pensioenfonds uit de crisis herrezen

Pensioengigant ABP is er weer bovenop. Het fonds, dat voor een kwart van de Nederlandse huishoudens werkt, boekt superrendementen. Met dank aan zijn eigen beleggers en de langzaam stijgende rente.

Heerlen, 5 april. - In het epicentrum van de vergrijzing staat het hoofdkantoor van ABP, met een kapitaal van 191 miljard euro Europa's grootste pensioenfonds. Op een heuvel in Heerlen, je weet maar nooit, als het water komt.

Zuid-Limburg is een van de meest vergrijsde regio's. De bevolking krimpt. Ambtenarenpensioenfonds ABP verzekert de pensioenen van een kwart van Nederland. Het fonds krimpt in medewerkers, maar groeit in geld.

Sinds 2000 is het aantal ABP-medewerkers door het afstoten van taken en afslankingen met ruim 1.000 gedaald tot 2.389 eind 2005. Vorig jaar droeg ABP ook zijn kleine steentje bij aan de explosie van aanvragers van vroegpensioen, met een eenmalige bijzondere vertrekregeling voor ouderen.

De banenkrimp staat tegenover kapitaalaccumulatie. De berg geld die ABP beheert, groeit onstuimig dankzij rendementen van 11 procent (2003), 11,5 procent (2004) en 12,8 procent (2005). Het afgelopen kwartaal loopt de meter door: zo'n 3 procent rendement. Dankzij deze winsten kan ABP zijn financiële positie alleen maar verbeteren. De pensioencrisis van maart 2003 lijkt lang geleden. Toen zakte de verhouding tussen het vermogen en de pensioenverplichtingen (de zogeheten dekkingsgraad) naar 99 procent: te weinig geld om alle pensioenen uit te keren. Nu is de dekkingsgraad 132 procent, vertelde waarnemend directievoorzitter Dick Sluimers gisteren. De spectaculaire stijging onderstreept dat het herstelvermogen in de pensioenwereld groter is dan Haagse somberaars over vergrijzingskosten willen toegeven.

De herrijzenis van ABP volgt vier trends en één paradox die zich laten samenvatten in het woord: ontkoppeling.

Tot twee jaar geleden waren de pensioenen gekoppeld aan het laatst verdiende loon. Dat was duur in tijden van hoge loonstijgingen en bevoordeelde snelle carrièremakers. Dat is onder druk van de pensioencrisis ontkoppeld. Pensioenen volgen nu het gemiddelde loon. De verplichtingen stijgen minder hard, zeker als vakbonden - die de fondsen meebesturen - loonmatiging afspreken.

De hoogte van de pensioenpremie van werkgevers en werknemers was lange tijd gekoppeld aan de financiële positie van het fonds. Ging het goed, dan ging de premie omlaag. En andersom. Ook ontkoppeld. De premie wordt nu gebaseerd op een verwacht beleggingsrendement. Gevolg: hoge, maar gemaximeerde premies, die dankzij de superwinsten op de beleggingen het herstel bespoedigen.

Tot voor enkele jaren geleden volgden de pensioenen vanzelfsprekend de welvaartsgroei. Dat was hét visitekaartje voor werken bij de overheid. Ook ontkoppeld. Tot chagrijn van gepensioneerden. Nu volgt de prijscompensatie van pensioenen de financiële positie van het pensioenfonds: is die echt goed, dan welvaartsgroei, anders minder geld erbij.

Voor de becijfering van de financiële positie rekende de pensioenwereld altijd met een vast rendement van 4 procent. Ook afgekoppeld. Nu is de marktrente voor beleggingen van 15 à 20 jaar de norm. Hoe lager de rente, hoe hoger de pensioenverplichtingen, hoe zwakker de financiële positie. Dit kwartaal is de rente gestegen. In 13 weken is de dekkingsgraad van ABP met 13 procentpunt gestegen: van 119 naar 132 procent. Tweederde van de stijging is het gevolg van de oplopende rente.

Resteert de paradox: de ontkoppeling van de echte economie en financiële markten. Werknemers vrezen voor hun baan, bedrijven vrezen voor hun hachje, maar superbeleggers als ABP zien de rendementen door het dak gaan. Steeds meer kapitaal, dat steeds meer oplevert.