De hoogleraar in het beklaagdenbankje

Professoren die te “on-Amerikaans' zijn komen op een zwarte lijst terecht.

Volgens historius Doumani gaat de politieke interventie in de wetenschap veel te ver.

De bibliotheek op de campus van Stanford University in Stanford, Californië. Foto AFP A man browses through books at the Cecil H. Green on the Stanford University Campus December 17, 2004 in Stanford, California. Google, the internet search engine, has announced a long-term project to put 15 million books from seven of the world's most prestigious libraries online and make them searchable. Included will be the libraries of Harvard, Stanford, the University of Michigan, the New York Public Library and the University of Oxford, including the Bodleian. Books and periodicals will be scanned and project is expected to take six years and cost more than 100 million USD. Justin Sullivan/Getty Images/AFP/FOR NEWSPAPER AND TELEVISION USE ONLY AFP

Sinds senator Joseph Mc Carthy in de jaren vijftig jacht maakte op linkse intellectuelen, is de academische vrijheid in de VS niet meer zo ernstig in gevaar geweest als nu. Dat is de alarmerende conclusie van het pas verschenen boek Academic Freedom after September 11. De redacteur van deze bundel, de Amerikaanse historicus Beshara Doumani, was vorige week op uitnodiging van het Instituut voor Studie van de Islam in de Moderne Wereld (ISIM) in Amsterdam om een lezing te houden.

Beshara Doumani doceert moderne geschiedenis van het Midden-Oosten aan de universiteit van Californië en doet onderzoek naar de sociale en culturele historie van het Ottomaanse Palestina, het land van zijn voorouders. Hij leerde de VS kennen als een land waar onafhankelijk onderzoek werd gerespecteerd. Tot 11 september 2001. Toen verklaarde Bush de oorlog aan het terrorisme.

“The War on Terror is een oorlog zonder einde; er bestaat geen duidelijke definitie van het eindspel. Het is een oorlog tegen een tactiek, niet tegen een duidelijke vijand, zoals een staat, sociale groep of ideologie. Het is ook een anti-intellectuele oorlog. Bush zegt: “Terroristen haten onze manier van leven'. De oorlog is dus pas afgelopen als deze haat is uitgebannen. Bovendien voert religie de boventoon. Volgens Bush is vrijheid een godsgeschenk.“

Dit anti-intellectualisme stelt academici voor problemen. “In deze oorlog is geen behoefte aan analytische categorieën en concepten. Wetenschappers die zich afvragen waarom “zij' ons haten, wat de historische oorzaken en de sociale achtergronden zijn, worden beschouwd als een veiligheidsrisico.“ Volgens Doumani wordt de academische vrijheid vooral bedreigd door particuliere pressiegroepen. Toch is de scheidslijn tussen deze groepen en de overheid lastig te trekken. “Particuliere denktanks, mediamensen en regeringsleden onderhouden nauwe banden. Lynn Cheney, de vrouw van de vice-president, en senator Joseph Lieberman hebben de American Council of Trustees and Alumni (ACTA) opgericht. Die kwam na 9/11 met een rapport waarin universiteiten worden aangemerkt als de zwakke schakel in de oorlog tegen terreur. ACTA zette een lijst van 117 “on- Amerikaanse professoren' op haar website.“ Deze scherpslijpers zijn de gewetenspolitie van de campus. “Studenten worden betaald om hun professoren te bespioneren. Aan de hand van citaten uit colleges, artikelen of voordrachten worden zwarte lijsten aangelegd. Volksvertegenwoordigers, afgestudeerden en studenten worden overgehaald om brieven te schrijven aan universiteitsbesturen waarin ze hun beklag doen over docenten. Ook Doumani zelf is het mikpunt. “Die druk is des te effectiever door verschuivingen in de economische grondslag van universiteiten. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de onderzoeksbudgetten per universiteit gegroeid van 10 à 15 miljoen dollar tot enkele miljarden. Het scala aan diensten is enorm toegenomen door contracten met de particuliere sector en de regering. Donoren moeten het veel meer mensen naar de zin maken en zijn gevoelig voor negatieve publiciteit. Ook de bestuurscultuur van onze universiteiten verandert. In het verleden waren hoogleraren tevens bestuurders. Universitaire instellingen genoten zo een zekere autonomie. Tegenwoordig worden bestuurders aangetrokken van Wall Street. Zij denken aan budgetten en aan concurrentie tussen Harvard, Yale en Berkeley.“

Sinds 9/11 is een wettelijk kader geschapen voor politieke interventie in het wetenschapsbedrijf. Het belangrijkste instrument is de Patriot Act. Doumani: “Het Department for Homeland Security mag nagaan welke boeken u koopt en leent. Het controleert via Google en andere internetdiensten naar welke publicaties u op zoek bent. Zij moeten die informatie geven, maar mogen de klant niet melden dat ze dit doen. Amerikaanse onderzoekers mogen bepaalde bevindingen niet doorgeven aan buitenlanders, ook al werken zij al lang in de VS en is hun inbreng cruciaal. Artikelen of boeken van auteurs uit landen die onder een embargo vallen, mogen in de VS niet verschijnen. Buitenlandse deskundigen die worden uitgenodigd gastcolleges te geven, zien hun visa geweigerd.“

In 2003 nam het Huis van Afgevaardigden Resolutie 3077 aan. Die voorziet in een adviesraad die moet nagaan of de centra voor studie van bepaalde regio's het “nationale belang' dienen. Doumani: “Als de Senaat ermee instemt, mag dit lichaam straks beslissen wat evenwichtige leerstof is. Dit zou de academische standaarden in ons land vervangen door willekeurige politieke criteria.“

Beshara Doumani (red.), Academic Freedom after September 11, 250 blz., 21,95 US dollar (paperback).