Wonderkinderen zijn tegenwoordig zeldzaam

Als ze jong zijn, zijn eigenlijk alle kinderen wonderkinderen. Hun trotse ouders vallen van de ene verbazing in de andere. 'Je hoort jonge ouders vaak flink opscheppen over dingen die eigenlijk doodnormaal zijn', grinnikt pedagoog Bas Levering. 'Dat overdreven applaus is geweldig stimulerend, alleen gaat het te lang door. Je mag een jarig kind van vijf of zes best op een stoel zetten en toezingen, maar een zeven- of achtjarige moet zich bij zo'n behandeling enigszins opgelaten gaan voelen. Die overwint langzamerhand het egocentrisme dat nu eenmaal bij jonge kinderen hoort en ontdekt dat andere kinderen soms slimmer of sneller zijn. Bij dat proces moeten ouders helpen.'

Op 5 april spreekt dr. Bas Levering (pedagogiek en inderwijskunde, Universiteit Utrecht) om 12.30 in de Boothzaal van de Universiteitsbibliotheek op de Uithof over wonderkinderen. Foto uitgeverij SWP uitgeverij SWP

Is dit typisch een probleem van het moderne kleine gezin?

'Vooral kleine gezinnen leggen soms een enorme druk op het jonge kind. Kinderen moeten alles kunnen. Ouders vinden het vreselijk om op verjaarsvisites te moeten bekennen dat het niet zo best gaat op school. En als er écht iets mis is, zien de liefdevolle ouders dat meestal veel later dan iedereen er omheen. Intussen komen er steeds meer hoogbegaafde kinderen. Tenminste, dat denken hun ambitieuze ouders en die kunnen het er de leerkrachten op school knap lastig mee maken. Als zo'n kind slecht presteert, krijgt de school de schuld.'

Wat is echt hoogbegaafd?

'De definitie is simpel: een IQ hoger dan 130. Dat komt bij twee procent van de bevolking voor. En die mensen hoor je daar weinig over. Er bestaan IQ-testen voor kinderen van een jaar of zes, maar op die leeftijd is de ontwikkeling nog erg grillig. Een kleuter kan de ene week zijn veterdiploma halen en een week later het veterstrikken volkomen verleerd zijn. En kenmerkend voor hoogbegaafdheid is talent over de hele breedte, terwijl een wonderkind bijvoorbeeld alleen geweldig muzikaal is.

'Echte wonderkinderen, zoals Mozart, die al noten schreef voordat hij gewoon kon schrijven, had je vooral in de 16de, 17de en 18de eeuw. Door de eeuwen heen is niet alleen de kijk op het kind veranderd, maar ook het kind zelf. In de Middeleeuwen was een 'kind' gewoon een mini-volwassene. Er was geen enkele terughoudendheid om heel jong met onderwijs te beginnen. Iemand als Theodor Agrippe d'Aubigne las Grieks, Latijn en Hebreeuws op zijn zesde en vertaalde Plato voor zijn achtste. Zijn beroemde tijdgenoot Montaigne bepleitte om zodra een kind van de moederborst gespeend was met de gemakkelijkere dialogen van Plato te beginnen. Goethe sprak voor zijn achtste naast Duits al Engels, Frans, Latijn en Italiaans, omdat hij dat spelenderwijs oppikte als zijn vader les gaf aan een ouder zusje. De Nederlandse literator Justus van Effen was op zijn dertiende klaar voor de universiteit.

'Voortdurend is het vooral de vader die zijn kind onder druk zet. Daar kunnen grote ongelukken mee gebeuren. Ook Mozart werd geweldig gepusht, die mocht van zijn vader bijvoorbeeld nooit buiten spelen. '

Is elk genie als wonderkind begonnen?

'Dat hoeft helemaal niet. Tegenwoordig kennen wij nauwelijks meer wonderkinderen, alleen nog maar laatbloeiers. De opvoedingsmethoden zijn veranderd. Kinderen mogen meer kind zijn.

'Wel kunnen ouders veel bereiken door hun kinderen op jonge leeftijd op een plezierige manier aan te moedigen. Soms heeft intensieve begeleiding wonderbaarlijke resultaten. Kijk naar vader Polgar, die van zijn drie dochters schaakkampioenen heeft gemaakt. Marco van Basten is door zijn vader juist zo sterk onder druk gezet om te voetballen, dat zijn eigen zoontje helemaal niet op voetbal hoeft als hij niet wil. Dan denk ik: daar komt dan ook niks van terecht. Opvoeden betekent toch wel een beetje druk uitoefenen.'