Weiger die Librisprijs

Culturele prijzen floreren bij schandaal, betoogt hoogleraar James F. English.

Schrijvers zouden uit de mallemolen van prestige en commercie moeten springen.

Nobelprijs-medaille

Zonder één wanklank is afgelopen zaterdag de Gouden Uil postuum toegekend aan Henk van Woerden. Volgens de Amerikaanse hoogleraar James English is dat een slecht teken: culturele prijzen floreren bij schandaal, zo betoogt hij in zijn tegendraadse essay The Economy of Prestige: Prizes, Awards, and the Circulation of Cultural Value. Ze onderhouden een intieme relatie met omstredenheid, zonder in hun aanzien te worden aangetast. En ze ontlenen hun legitimiteit aan de bereidheid van mensen zich over hun toekenning op te winden.

In The Economy of Prestige komen de Nederlandse prijzen niet voor. Het boek kijkt vooral naar de Engelstalige wereld, met een enkel uitstapje naar de Nobelprijs. Ook daarvoor geldt dat hij zich pas dankzij een fiks schandaal in de internationale aandacht had weten te manoeuvreren. De gedoodverfde winnaar Tolstoj moest het al bij de eerste uitreiking afleggen tegen de inmiddels vrijwel vergeten dichter Sully Prudhomme. De losbarstende kritiek werd door het Nobelprijscomité zo hoog opgenomen, dat het tot aan zijn dood stijfkoppig is blijven weigeren Tolstoj te bekronen.

Ieder jaar leverde dat weer stof tot verontwaardiging op, die de Nobelprijs zeer ten goede kwam. Want, aldus English, nog beter dan een schandaal is een jaarlijks terugkerend schandaal. Zo werd ook de Engelse Booker Prize in het begin van zijn bestaan van een voortijdig einde gered door een reeks ophefmakende gebeurtenissen die de naam ervan op de voorpagina's van bijna alle Britse kranten bracht. Het 'dankwoord' waarin laureaat John Berger in 1972 zijn verzamelde society-publiek voor neo-kolonialen uitmaakte en de helft van het prijzengeld beloofde over te maken naar de Black Panthers, zette de toon voor een fikse polemiek.

Begin 1974, zo schrijft English, kon de Booker Prize zichzelf feliciteren met een stijgende aandacht in de pers, vergelijkbaar met de uitreiking van de jaarlijkse Oscars. Die uitreiking, zo stelt English vast, is in veel opzichten model gaan staan voor de wijze waarop vooral de nieuwere literaire en kunstprijzen worden toegekend. Het spektakelgehalte wordt kunstmatig opgevoerd met voorronden, shortlists en de verplichte aanwezigheid van de overgebleven kandidaten bij de uitreikingsceremonie.

Deze mallemolen van prestige, en dus ook van de commerciële betekenis daarvan, steunt echter op de illusie van een minimale betrouwbaarheid. Meer dan platte sensatiezucht is het dit prestige dat bij een prijs vraagt om ophef en schandaal, en dus ook om eigenzinnige en onvoorspelbare jury's, aldus English. Het is het zegel van hun authenticiteit en betrouwbaarheid. De prijs functioneert alleen als minstens de schijn van belangeloosheid wordt gehandhaafd, en dat lukt alleen als die belangeloosheid er ook in redelijke mate is. Vandaar dat schrijvers die zich werkelijk geëerd willen weten, ten opzichte van hun prijs altijd een zekere distantie in acht moeten nemen.

Aan dat laatste begint het volgens English echter gaandeweg te schorten. Dat vrijwel niemand meer de moeite neemt een prijs te weigeren, is volgens English dan ook een veeg teken. Sartres afwijzing van de Nobelprijs was een statement die vandaag de dag ridicuul dreigt te worden. De postmoderne kunstenaar weet wel beter, en zou dan ook niets begrijpen van het commentaar van Brandt Corstius op de toenmalige ministeriële weigering: '[Een prijs niet krijgen] is een grotere eer dan een prijs wel krijgen.' Men zou de deze week bekend gemaakte nominaties van de Libris-prijs het liefst een lekker sappig schandaaltje toewensen.

James F. English: The Economy of Prestige. Prizes, Awards, and the Circulation of Cultural Value.