Weg met de traditionele verzorgingsstaat

Nieuwe vormen van solidariteit vragen om een honorering van verschil. De verzorgingsstaat is daar niet goed in: deze is gericht op gelijkheid en kan daarom niet anders dan paternalistisch omgaan met burgers die eigen verantwoordelijkheid serieus nemen, menen Paul Frissen en Rien Rouw.

Als het met de opvoeding niet goed dreigt te gaan, moet de overheid meer kunnen dwingen, stelt staatssecretaris Ross in haar recente nota gezinsbeleid. Om dat goed te kunnen volgen, werkt de overheid aan een elektronisch kinddossier waarin informatie over de ontwikkeling van een kind wordt verzameld en zonodig verspreid onder instanties waarmee een kind te maken krijgt. Het zijn de nieuwste loten aan de stam van maatregelen waarmee kinderen en jeugdigen moeten worden 'gemonitored', beschermd en gecorrigeerd door de overheid en haar vertegenwoordigers. En de jeugdzorg is geen uitzondering. Ook op andere terreinen zoals veiligheid en integratie treedt de overheid meer op dan terug. Zelfs dit kabinet, dat de eigen verantwoordelijkheid hoog in het vaandel heeft en deregulering als zijn handelsmerk ziet, doorbreekt de dynamiek van overheidsingrijpen niet.

De Engelse psychiater en publicist Theodore Dalrymple schreef onlangs dat in het 'oude Europa' de overheid lijkt op een verslaving. Hoewel we weten dat te veel overheid niet goed voor ons is en het huidige kabinet niet moe wordt dat te benadrukken, willen we toch steeds meer - uit angst voor de afkickverschijnselen. Dat is een collectieve reflex van burgers, belangengroepen, instellingen, adviseurs, wetenschappers, politici en de overheid zelf.

Het is overigens een reflex met de beste bedoelingen. We willen onszelf en anderen, zoals kinderen, graag beschermen tegen allerhande risico's. Bovendien zijn we in de afgelopen jaren met de neus op de feiten gedrukt dat de samenleving als geheel moet worden beschermd tegen kwaadwillende individuen. Wie doet dat beter dan de overheid?

Deze goede bedoelingen leiden ertoe dat de overheid zich blijft bemoeien met tal van zaken en die blijft regelen. Ze formuleert allerlei gewenste uitkomsten, bijvoorbeeld als het gaat om gezondheid en onderwijs. Dat leidt tot de paradoxale toestand dat de overheid weliswaar de eigen verantwoordelijkheid van burgers wil bevorderen, maar tegelijk de uitkomsten van die eigen verantwoordelijkheid wil kunnen voorspellen en beheersen. Vandaar dat toezicht, controle en monitoring zo'n hoge vlucht hebben genomen.

Zie nogmaals de jeugd: tal van monitors, zoals de drugsmonitor, de JGZ- en de LPJ-monitor, fungeren als bron voor een 'AEX-index'. De overheid wil kinderen zodanig volgen dat bevoegde instanties onmiddellijk kunnen ingrijpen als er iets verkeerd dreigt te gaan. Het is in feite de verzorgingsstaat als albedil die hier aan het werk is. Zelfs prenatale interventies lijken bespreekbaar te worden.

Er is nog een reden voor de uitgebreide overheidsbemoeienis met het maatschappelijk leven. Keer op keer blijkt dat Nederlanders graag leven in een solidaire samenleving. Gedurende de uitbouw van de verzorgingsstaat in de twintigste eeuw heeft solidariteit een specifieke kleur gekregen. Het werd gelijkgesteld aan gelijkheid - van startposities en van uitkomsten. Met als gevolg dat in Nederland een enorme huiver is ontstaan om verschil te maken, en ersprake is van een preoccupatie met gelijke uitkomsten voor iedereen. Dat geldt in de sociale zekerheid, maar ook in de gezondheidszorg en in het onderwijs.

De solidariteit in de verzorgingsstaat is bovendien abstract en anoniem geworden. Solidariteit sluit niet meer aan bij de sociale en normatieve verbindingen die burgers herkennen. Bovendien brengt de gelijkheidsobsessie mee dat de bestaande arrangementen van solidariteit erg kostbaar zijn geworden. Tegelijkertijd zijn ze voor de echt behoeftigen nodeloos schraal. Als iedereen hetzelfde moet krijgen, krijgt iedereen weinig en sommigen te weinig.

De verzorgingsstatelijke vormgeving van solidariteit past niet meer bij de netwerk- of kennissamenleving die we zijn geworden. Het is in feite solidariteit gebaseerd op industriële patronen, gericht op gelijke bescherming tegen voorspelbare risico's. De traditionele verzorgingsstaat is reactief en paternalistisch: hij bestrijdt achterstanden en wijst de burger de weg naar het goede leven. Nu is een andere overheid nodig: de burger is geëmancipeerd en wil verschil maken. De overheid moet de randvoorwaarden en contexten daarvoor stimuleren, zonder de uitkomsten vast te leggen.

De veranderingsambities van het kabinet sluiten hierbij aan. Maar de veranderingsvoorstellen dragen nog vaak een verzorgingsstatelijk karakter, zodat we niet ontsnappen aan de logica van de verzorgingsstaat.

In het beleid wordt de burger weliswaar behandeld als een kritische consument en een rationeel kiezend individu, maar de ideale uitkomst is een brave burger die meewerkt aan door de overheid gestelde doelen. Op die uitkomst wordt meer dan ooit gestuurd. De maakbaarheid is in volle glorie terug. Daarmee is een omvangrijke bureaucratisering verbonden: controle, toezicht, monitoring, preventie en repressie.

Er moet een nieuw perspectief op eigen verantwoordelijkheid komen: de burger moet niet alleen kunnen kiezen en betalen, maar ook kunnen beslissen en vormgeven. De overheid moet zich beperken tot het vermijden van ongewenste uitkomsten, die uiteraard bescheiden worden geformuleerd. In plaats van een omvangrijke controle-bureaucratie moet er een lichtvoetig stelsel van checks and balances komen. Daarin hebben professionals veel meer ruimte en zijn burgers de coproducenten van solidariteit.

Wat we in een kennissamenleving immers nodig hebben zijn nieuwe en gevarieerde vormen van solidariteit. Juist in dat verschil kan solidariteit zich realiseren. Burgers kunnen op die manier arrangementen realiseren die bij hen passen en die aansluiten bij sociale en normatieve verbanden.

Het nieuwe stelsel van zorgverzekeringen heeft daarvan verrassende voorbeelden laten zien. Collectiviteit verdwijnt niet, maar krijgt een veel gevarieerder vormgeving.

De verzekering is waarschijnlijk een veel geschikter arrangement om verschil en variëteit vorm te geven dan het wat botte en al te collectivistische stelsel van belastingen. En als het om belastingen gaat zou het interessant zijn de burger meer invloed te geven op de besteding ervan. Dat bevordert de normatieve beleving van solidariteit.

Burgerschap is meer dan kiezen en betalen. Burgerschap is ook beslissen en beschikken. Om van de verslaving aan de verzorgingsstaat af te komen moeten burgers verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dat kan alleen als we verschil durven maken.

Paul Frissen is lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO), hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Rien Rouw is als staflid aan de RMO verbonden. Zij schreven het RMO-advies 'Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat', dat onlangs verscheen. Op 5 april organiseren de RMO en de NSOB een debat over 'eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat'.

    • Paul Frissen Rien Rouw