Tegenstelling gelovigen en niet-gelovigen is vals

Aan het einde van het artikel `Religie bindt, dat mag gezegd worden` (NRC Handelsblad, 23 maart) wordt gesuggereerd dat ik het `samenbindend element` van religie zou ontkennen.

Dat is een onjuiste weergave. In de visie van D66 is de bereidheid om open te staan voor elkaars opvattingen het voornaamste samenbindende element. Die openheid moet er dus ook voor religie zijn.

Ik haalde in dit kader in het Kamerdebat met minister Van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking) Jonathan Sacks aan, de opperrabbijn van de United Hebrew Congregations of The Commonwealth, die schreef: ”De test van het geloof is of ik ruimte kan maken voor verscheidenheid. Kan ik Gods aangezicht zien in iemand die niet op mij lijkt, wiens taal, geloof, idealen verschillend zijn van die van mij? Als ik dat niet kan, dan wil ik dat God op mij lijkt, in plaats van dat ik naar zijn voorbeeld leef. (...) Verscheidenheid is een vorm van hoop, want het is gegrond op het besef dat vanwege onze verscheidenheid wij allen iets unieks kunnen bijdragen aan het gezamenlijke project waar we deel van uitmaken.”

Deze tekst geeft aan dat de door de minister geschetste tegenstelling tussen gelovigen en niet-gelovigen vals is. Binnen religies is er immers ook een strijd gaande over de openheid naar vrouwen, naar homoseksualiteit en andersdenkenden. Als de wereld al in tweeën te delen is, is de scheidslijn aanwezig tussen hen die openstaan voor `de ander` en zij die dit fundamenteel afwijzen.