Recept voor een 'bevrijde' universiteit

De huidige bestuurlijke patstellingen aan de universiteiten moeten worden doorbroken. De dynamiek van onderwijs en onderzoek lijdt eronder. Het kan beter, betoogt Adriaan in 't Groen.

Universiteiten moeten ophouden met polderen, ze moeten durven kiezen en zich niet meer als kartel gedragen. Dat kwam in mij op naar aanleiding van de grote woorden op de Opiniepagina van 28 maart over de universiteit in zowel het hoofdredactionele commentaar 'Onvrije universiteit' als het artikel 'Universiteiten moeten worden opgesplitst' van Gérard van Tillo.

Universiteiten zijn onvrij, aldus het hoofdartikel, omdat de raden van toezicht van de universiteiten te veel door mensen uit het bedrijfsleven worden bevolkt. Universiteiten zouden moeten worden opgesplitst omdat er opportunistisch bestuurd wordt op verschillende niveaus en colleges van bestuur dit tolereren.

Grote woorden, maar inderdaad: het kan en moet beter met de universiteiten.

De Nederlandse universiteiten zitten in een overgangsfase. Ze zijn op weg van een statelijk bestuurde buitendienst van de overheid naar kenniscentra die als professionele organisaties moeten worden georganiseerd en die opereren op een internationale markt van vraag en aanbod.

Het verschil tussen het één en het ander is dat een overheidsorganisatie van bovenaf wordt geleid en een professionele organisatie van onderaf. Nu gebeurt dat zowel van boven- als onderaf, waardoor patstellingen ontstaan. Die moeten worden doorbroken, want deze situatie haalt de dynamiek uit onderwijs en onderzoek.

Het kan beter, aan de hand van een tien- puntenplan.

1. Vertrek vanuit de student, de docent en de wetenschapper. Zij moeten een zo groot mogelijke vrijheid krijgen. Bij een grote vrijheid hoort een grote eigen verantwoordelijkheid. Wie de vrijheid niet aankan, moet op de blaren zitten.

2. Professionals zijn ongelijk. Egaliserende keurslijven moeten verdwijnen. Er is een basisniveau waaraan iedereen moet voldoen. Het doel moet zijn dat daar op allerlei manieren bovenuit wordt gegaan.

3. Bij verschillen horen ook verschillende condities. Studieduur, eindniveau, collegegelden en salarissen worden ingezet om die verschillen te stimuleren. Daardoor studeert de ene student snel af, de ander verdiept zich meer en doet er langer over. De ene wetenschapper verdient meer dan de ander.

4. De universiteit bestaat uit een verzameling van tientallen kleine tot middelgrote kenniscentra die door de aard van de verschillende wetenschapsgebieden en hun bevolking anders zijn opgebouwd. Zij organiseren en besturen zich zelf binnen kaders die door het college van bestuur van de universiteit worden gesteld. Dat zijn zo weinig mogelijk afspraken, maar wel heldere teksten over hun prestaties en de daarmee verbonden stimulansen en straffen. Op basis daarvan worden studenten, docenten, wetenschappers, medewerkers en bestuurders publiekelijk afgerekend.

5. De afspraken met de kenniscentra werken door naar studenten, docenten, wetenschappers en medewerkers, met wie individuele prestatiecontracten worden afgesloten. Kern daarvan is: wie goed presteert wordt vorstelijk beloond, wie faalt, verlaat de universiteit.

6. Het college van bestuur bestuurt op hoofdlijnen deze kenniscentra en legt daarvan publiekelijk verantwoording af. Alle tussenliggende bestuurslagen worden opgeheven.

7. Elke universiteit sluit een eigen charter met de overheid af, waarin voor een periode van zeven jaar prestatieafspraken worden gemaakt waardoor de universiteit een deel van haar taken uit overheidsmiddelen kan betalen. Elke universiteit maakt haar eigen charter op basis van wettelijke condities. De overheid stimuleert dat de universiteiten zo veel mogelijk van elkaar gaan verschillen en dat de marktwerking tussen de kenniscentra van de universiteiten toeneemt, opdat studenten, wetenschappers en de maatschappij wat te kiezen hebben. De overheid stopt met het gevangen houden van universiteiten door gedetailleerde regels af te schaffen. Daarvoor komen enkele scherpe afspraken in de plaats die leiden tot meer overheidsgeld als het goed gaat en tot beëindiging daarvan als het slecht gaat.

8. Universiteiten gaan ook allianties aan met alumni, bedrijven en maatschappelijke instellingen voor het leveren van kennis en diensten.

9. De overheid stimuleert dat buitenlandse studenten en wetenschappers in groten getale naar Nederland komen.

10. De rol van de raden van toezicht wordt versterkt. Zij leggen publiekelijk verantwoording af aan de overheid en andere financiers van de universiteit. Daartoe wordt het aandeelhoudersmodel ingevoerd. Alumni, maatschappelijke instellingen, bedrijven, verschillende typen overheden, wetenschappers, docenten, medewerkers en studenten kunnen aandeelhouder van een universiteit zijn. Grote aandeelhouders als overheden en bedrijven kunnen preferente posities verkrijgen en daar condities aan verbinden. Daardoor kan de overheid bijvoorbeeld haar politieke randvoorwaarden tot gelding brengen, waardoor de publieke toegankelijkheid van de universiteit gewaarborgd blijft en speerpunten van kennisbevordering en innovatie kunnen worden bepaald. Dat zijn ook de ankerpunten voor de parlementaire controle.

Bovenstaand recept maakt de universiteiten vrij door juist meer bindingen aan te gaan met maatschappelijke bondgenoten, terwijl blokkades bij professionals en bestuurders worden opgeheven.

www.nrc.nl/opinie- Artikel Van Tillo- Hoofdartikel

Adriaan in 't Groen is stafdirecteur Universitaire Ontwikkeling van de Universiteit Leiden en werkt aan een proefschrift over de relatie tussen staat en universiteit.

    • Adriaan in 't Groen