Blijvende vogel heeft treklust

Niet-trekkende zangvogels vertonen in een bepaalde vaste periode van het jaar toch trekonrust. Ze hippen dan 's nachts onrustig heen en weer, net zoals trekvogels dat doen voorafgaand aan hun grote reis. Dat ontdekten twee Duitse onderzoekers van het Max Planck Instituut voor Ornithologie in Andechs toen zij de Europese migrerende roodborsttapuit (Saxicola torquata rubicola) vergeleken met een Afrikaanse zustersoort (Saxiola torquata rubicola) die niet trekt. Gisteren werd het onderzoek gepubliceerd in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift Plos Biology.

Barbara Helm en haar inmiddels overleden collega Eberhard Gwinner voerden hun experimenten uit onder gecontroleerde omstandigheden met vogels in gevangenschap. De vogels werden gehouden onder een constant dag-nachtritme, waardoor zij geen idee hadden van de seizoenen. Roodborsttapuiten trekken 's nachts. Om hun trekonrust te meten turfden de onderzoekers via een infraroodsensor het aantal periodes van tien minuten waarin de dieren meer dan twintig bewegingen maakten. De nachtelijke activiteitspieken traden op in willekeurige ritmes, met grote verschillen tussen de vogels.

Maar onder gesimuleerde Europese dag-nachtomstandigheden (met korter wordende dagen in de winter) traden de pieken in trekonrtust op in de herfst en in het voorjaar.

Geheel onverwachts vonden de onderzoekers dezelfde pieken bij de Afrikaanse standvogel. In het wild blijft deze vogel het gehele jaar in zijn territorium, maar nu bleek dat hij ook trekimpulsen heeft, zij het veel minder sterk dan de Europese roodborsttapuit.

Biologe Helm vermoedt dat de Afrikaanse vogels in de loop van de evolutie voordeel gehad hebben van hun trekonrust-eigenschappen, hoewel ze momenteel niet trekken. Door deze aanleg om zich voor te bereiden op een eventuele trek kunnen ze flexibeler reageren op bijvoorbeeld aanhoudende droogte.