Zoek erbarmen

Het is merkwaardig met een werkelijk groot kunstwerk dat het zich altijd weer vernieuwt in de beschouwing. Zoals een echt groot boek zich steeds weer laat overlezen en steeds andere inzichten, diepten, formuleringen bloot geeft - hoewel die er toch de eerste keer ook al waren - zo doet ook een schilderij of een muziekstuk dat. Cesare Pavese schreef eens, en het is een van de waarste dingen die ik ooit gelezen heb: 'We weten dat de zekerste - en snelste - manier om verrast te worden het onverstoorbaar gadeslaan van steeds weer hetzelfde is.'

Dus wéér de Matthäus Passion, afgezaagd om over te beginnen, maar nooit om te beluisteren. Steeds weer zijn er andere momenten in die ontroeren of verbazen. Als kind vond ik het een lang stuk, maar op twee plaatsen geweldig: het donderende koor dat 'Sind Blitze, sind Donner' zong, zó dat je de donder en bliksem werkelijk door de zaal van het Concertgebouw hoorde rollen, en het moment van Jezus dood - altijd viel er een traan op de partituur waarin mijn vader me wees waar we waren en hoe de muziek ging. Op een dag, vele jaren later, werd ineens een ander moment tot het emotionele brandpunt van Bachs Passie: het verraad van Petrus - zijn loochening, tot drie keer toe, van het feit dat hij ook bij 'dem Jesu von Nazareth' hoort. Bijna niet te verdragen het moment dat Petrus zich realiseert dat hij iets gedaan heeft wat hij niet wilde, waartoe hij zich zo zeker wist níet in staat te zijn. Und ging heraus und weinete bitterlich. Voor deze schuld, deze kleinheid wordt in een van de allermooiste aria's uit het hele stuk, door een vriendelijke alt voor hem om ontferming gevraagd: 'Erbarme dich, mein Gott.' Hij heeft er spijt van, wij hebben er spijt van, wij lijden onder het feit dat we te klein zijn om écht groot en moedig te zijn.

Dit jaar pas, hoe weinig let een mens op, dit jaar pas hoorde ik hoe vlák daarna ook Judas tot het inzicht komt dat hij gedaan heeft wat niet gedaan mocht worden. Hoe hij het geld teruggooit naar degenen die zich van hem bediend hebben, hoe hij wegrent en zich verhangt.

En hoe nergens een stem klinkt die vraagt: heb erbarmen.

Christus, die niemand zijn genade ontzegt, zegt als hij spreekt over het verraad dat Judas zal plegen: 'wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was', wat regelrecht dreigend klinkt.

In zijn bekende essay 'De grootheid van Judas'(uit Essays in duodecimo) schrijft Vestdijk, dat het gevaarlijk is voor de bewondering, voor het nastrevenswaardige ideaal, als men zich gaat vereenzelvigen met de bewonderde. Dan verdwijnt de bewondering immers en valt er niets meer na te streven. Vestdijk veronderstelt dat de discipelen toch ten prooi vielen aan deze maar al te menselijke neiging - 'Met name Johannes werd in gelaatsuitdrukking, houding en kledij meer en meer tot het spiegelbeeld, dat Leonardo da Vinci later in hem zou zien.' Judas is de enige die ziet dat ze op de verkeerde weg zijn, maar hij kan daar niets tegen doen, want, zoals Vestdijk terecht opmerkt, is het de eigenlijke zin van Jezus' verblijf op aarde dat de mensen in zijn nabijheid proberen min of meer aan hem gelijk te worden. Dan vervolgt hij, en dit is de grootheid van Vestdijk: 'Tegen de onweerstaanbare drang tot gelijkwording aan iets waaraan men niet gelijk worden mag, heeft Judas als enige zich te weer gesteld, en daarin bestaat zijn grootheid.' Judas had iets begrepen.

Het is een mooie interpretatie, maar het is wel duidelijk dat Bach er niet zo over dacht, en Matteüs ook niet.

Behalve dit schrille verschil in ontfermenswaardigheid, leverde de Matthäus dit jaar ook nog een andere sensatie op: die van loutering. De lange weg die gegaan moet worden voor het sterven, de wanhoop, de pijn, de vernedering - ze klonken ineens zoals de weg van alle vlees. De vele schrille tonen in de muziek, het gekwelde lichaam (O Haupt voll Blut und Wunden) de miezerige mens die kapotgemaakt kan worden en ook wordt. Door andere mensen. Of, dat maakt eigenlijk niet zoveel uit, door een vreselijke ziekte, een ongeluk - lichaam en geest lijden als de levenskracht langzaamaan gebroken wordt.

En dan de verandering die verheerlijking is. Terwijl hij bezig is te sterven verandert Jezus in de Christus, van een lijdend mens dat wij moeten bijstaan in een geest die ons bijstaat. Weer is er een alt die troost biedt, nu zingt ze: 'Sucht Erlösung, nehmt Erbarmen. Suchet!' 'Wo?' vraagt het koor: 'In Jesu Armen' antwoordt zij.

Als iemand sterft, gestorven is, verandert hij van een levend lichaam in een levende geest - iedereen die iemand verloren heeft van wie hij veel hield, weet dat - zo iemand is bij je, op een andere manier dan toen hij nog leefde en is, in zekere zin, groter geworden, want geheel verinnerlijkt. Hoewel het gemis schrijnend en pijnlijk is, is er tegelijk troost mogelijk - dóór de gestorvene. Hoe wonderlijk is de menselijke geest toch dat we zulke onmogelijkheden kunnen voltrekken.

En hoe groot is Bach dat hij ons dat ook laat horen - Jezus is nog niet dood of de muziek wordt niets dan liefelijkheid. Je bent ergens doorheen. Het lijden en sterven is voorbij, nu is er het verdriet, de gebaren van rouw, de belofte, nee de zekerheid, dat wij de dode altijd in ons zullen dragen.

Tot we weer tekortschieten uiteraard. En weer bitterlich moeten wenen en om erbarmen vragen.

Vestdijk veronderstelt dat Jezus de opzet van Judas, begrepen heeft. Omdat hij alles begreep.

    • Marjoleine de Vos