Verzamelen met de verhuiswagen

Kunsthistorici Dirk Jan Biemond en Anne-Sophie van Leeuwen hebben de collectie oude meubelen van het Centraal Museum minutieus beschreven. 'Een levensgrote puzzel.'

Beschrijving van deze kast uit ca. 1625 van Joachim Wtewael: „De klosvormige poten vertonen elk aan de voorzijde een met ebbenhout gefineerde diamantkop binnen een eier- en pijllijst met acanthusbladeren op de hoeken. (...) De hoekstijlen vertonen Ionische, gecanneleerde, door profielen gelede pilasters. (...) De deuren vertonen boven elkaar twee met opgelijmde profielen gecorniste panelen. (...) Doordat de kast nooit is verhandeld en weinig is verplaatst, bevindt hij zich in uitzonderlijk goede staat. (...) Verondersteld kan worden, dat de kunstenaar enige bemoeienis met het ontwerp en de uitvoering had.” Foto Centraal Museum Centraal Museum

'Je moet ze aan de praat krijgen.' Volgens Dirk Jan Biemond hebben meubelen een verhaal nodig voor ze gaan leven bij de museumbezoeker. Samen met Anne-Sophie van Leeuwen deed hij onderzoek naar de verzameling van het Centraal Museum. Ze hebben daarbij genoeg stof voor een goed verhaal opgedoken. 'Maar helaas krijgt meubilair maar weinig ruimte in het museum', zegt Van Leeuwen. 'Het zijn ruimtevreters', beaamt Biemond.

Van Leeuwen is junior specialist oude meubelen bij Christie's en Biemond conservator edele metalen van het Amsterdamse Rijksmuseum. Sinds 2001 hebben eerst Biemond en daarna Van Leeuwen voor het Centraal Museum gewerkt aan de bestandscatalogus van de bijzondere collectie oude meubelen van het Centraal Museum. Bijzonder, omdat de verzameling veel complete kamers bevat die het museum sinds het einde van de negentiende eeuw vooral via legaten heeft verworven. 'Verzamelen met de verhuiswagen', noemt Biemond dat. Maar daarom is vaak exact bekend waar alles vandaan komt.

De legendarische Utrechtse museumdirecteur Samuel Muller (1848-1922) was eind negentiende eeuw zijn tijd ver vooruit, zegt Biemond. 'Hij was erg nauwkeurig bij het inrichten van de stijlkamers. Iets moest echt zeventiende-eeuws zijn wilde het een plaats in zijn kamer voor de Gouden Eeuw krijgen.' Bij andere musea nam men dat niet zo precies. 'Muller had een staf van anderhalve man en een paardenkop, maar wel uitstekende contacten met het Victoria & Albert en het Louvre.'

De bestandcatalogus Het Utrechtse huis, Meubelen tot 1900 is tot stand gekomen met steun van de gemeente, Mondriaan Stichting en de Amerikaanse Getty Foundation. Naast het boek met veertig topstukken komt er in juni een website met de hele collectie van zo'n duizend inventarisnummers. 'Al meer dan vijftig jaar is in Nederland geen catalogus over oud meubilair verschenen', zegt Biemond.

Hij en Van Leeuwen maakten bij hun werk dankbaar gebruik van het onderzoek van Muller naar het meubilair in de stijlkamers en later foto's daarvan. Toch was er veel werk te doen, want vrijwel alles was uit de stijlkamers naar de depots verhuisd, die ook nog een aantal keer zijn verhuisd. 'De planken van een kast lagen soms her en der verspreid', zegt Van Leeuwen. 'Het was een levensgrote puzzel. Ik ben bij stelling 1 begonnen en heb alles wat ik tegenkwam beschreven. Nu zijn alle kasten weer opgebouwd.'

In de inleiding van de catalogus is veel aandacht voor de Utrechtse stijlkamers. Beiden vinden het erg jammer dat ze sinds begin jaren negentig uit het museum verdwenen zijn. Het blijft volgens hen een uitstekende manier om het publiek meubilair en andere kunstnijverheid te tonen en een goed beeld van een tijdvak te geven. 'Directeur Sjarel Ex ging met de museummode mee en ruimde ze op, maar de bezoekers hadden er nog lang niet genoeg van', zegt Biemond. Van Leeuwen: 'Ik weet zeker dat de stijlkamers op de een of andere manier terugkomen in Utrecht.'

Biemond: 'In Nederland heb je geen huizen die eeuwenlang in de familie zijn gebleven. Dat je van een particulier een kast en een tafel hebt en dat die gedocumenteerd zijn en ook nog voorkomen op een schilderij uit die tijd, is uniek!' Hij doelt op het meubilair van de Utrechtse schilder Joachim Wtewael (1566-1638) uit ongeveer 1625.

Nieuw in de catalogus is dat er tot in detail wordt ingegaan op det materialen. 'Er is geen kast uit de zeventiende eeuw waar niet iets aan is gebeurd', zegt Van Leeuwen, die de meeste beschrijvingen maakte. Ze noteert daarin uiterst zakelijk welke materialen ze tegenkomt en andere technische details door middel van prachtige vaktermen als speunen, robbellijst, gebiljoend en drevel. Ze beschrijft sporen van verwijderde sloten en scharnieren en meldt dat door houtworm aangetaste poten later zijn vervangen.

'Als je niet alleen op de vorm maar op de manier van maken let, leer je nieuwe dingen over een meubel', zegt Biemond. 'Van sommige stoelen namen we aan dat ze provinciaal Frans waren, maar nu weten we dat ze in Nederland zijn gemaakt. Als je dat van één stoel weet, helpt het je bij onderzoek naar andere.'

Van Leeuwen en Biemond vinden het vervelend dat de catalogus 136 euro moet kosten. Volgens het museum is een bestandcatalogus erg kostbaar om te maken en is de oplage relatief klein, vijfhonderd exemplaren. 'Zo komt hij niet bij de mensen terecht, al is het misschien iets te droog voor het brede publiek', zegt Van Leeuwen. Biemond: 'Gelukkig staat straks alles op het web. Als je voortaan iets wilt weten over oude meubelen ga je naar de site van het Centraal Museum.'

    • Dirk Limburg