Roerende ridder en knecht

Concert: Don Quichotte van J. Massenet o.l.v. Jaap van Zweden. Gehoord: 1/4 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 4/4 20.02 uur.

Tranen welden bij mij op, zaterdag in de Matinee tijdens de opera Don Quichotte van Massenet, toen de knecht Sancho Panza zijn arm om Don Quichotte legde en zijn meester in bescherming nam tegen de spotternijen van de lichtzinnige vrienden van Dulcinée, de edele vrouwe van zijn dromen die hem zojuist had afgewezen.

De wereldberoemde diepe bas Roberto Scandiuzzi, tot dan toe in zang, houding en gebaar een grandioze en onverstoorbaar pathetische Don Quichotte die had gevochten tegen windmolens en schapen, zat daar zielig verslagen op zijn stoel. En Alain Vernhes, tot dan toe een zeer kritische Sancho Panza, verhief met heel zijn medelijdende hart de ridicule 'ridder van de droevige figuur' tot 'bewonderenswaardige held'. 'Lach maar, drijf maar de spot met hem, deze heilige aan wiens voeten jullie zouden moeten knielen.'

Sancho Panza legde zijn hoofd lang op dat van Don Quichotte, een gebaar van menselijkheid dat in zijn roerende kracht zijn gelijke niet had in de talloze concertante opera's die ik zag in de Matinee. Het was écht drama, ver verheven boven gemakkelijke theatraliteit en karikaturen, in Massenets milde versie van het satirische verhaal van Cervantes. Want het kwam ook even overtuigend voort uit Vernhes' gepassioneerde zingen.

Na deze scène gaf Scandiuzzi bemoedigende en dankbare klopjes aan Vernhes. Eerder hadden beiden al opmerkelijk veel plezier met elkaar. Hier vielen de personages en de persoonlijkheden van de zangers vervoerend samen.

De hele uitvoering had overtuigingskracht. Jaap van Zweden dirigeerde het Radio Filharmonisch Orkest uiterst temperamentvol in de Spaans-exotische scènes met castagnetten, tamboerijn en gitaar. Maar zijn grote kracht lag in de beheersing van warm vloeiende lyriek in de verder zo Franse muziek in Don Quichotte (1910), vooral in de frequent toegepaste dramatiek tussen pianissimo en stilte.

Er werd voortreffelijk gezongen, door het Groot Omroepkoor, door bariton Thomas Oliemans in twee kleine rollen en vooral door de overrompelende mezzosopraan Monica Bacelli als de ravissante Dulcinée. Ze schakelde, eerst uitgedost als een paradijsvogel, moeiteloos over van Rossiniaanse coloraturen en warmbloedige sensualiteit naar menselijk begrip voor de ridder, om te eindigen als een in het wit gehulde engel, die met haar 'voix céleste' afscheid neemt van de stervende Don Quichotte.

    • Kasper Jansen