Pool of tegenpool

Laat de Polen maar komen. De wijsheid heeft gezegevierd bij het kabinet, dat vrijdag besliste over de toelating van werknemers uit de nieuwe lidstaten van de Europese Unie tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Het nieuwe toelatingsregime gaat pas 1 januari 2007 in. Tussen 1 mei en begin volgend jaar geldt een overgangsregeling. Waarom voor deze getrapte maatregel gekozen is, is onduidelijk. De EU-regels vergden dat de oude lidstaten voor 1 mei zouden besluiten of zij de werknemers uit voornamelijk Oost-Europa zouden toelaten of niet. Het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Zweden deden dat vorig jaar al. Spanje, Portugal en Finland gooien de grenzen per 1 mei open. Nederland zou dat ook moeten doen, maar kennelijk was dat politiek moeilijk te verkopen aan de weifelende CDA-fractie in het parlement.

Hoe dan ook, het signaal dat het kabinet heeft afgegeven, is positief. In een Europa dat de laatste tijd wordt geplaagd door een steeds openlijker hang naar protectie van wat aangezien wordt voor het nationale economische belang, is het geruststellend te constateren dat er nog lidstaten zijn die het hoofd niet verliezen. Nederland hoort daar gelukkig bij.

Dat wil niet zeggen dat het openen van de grenzen voor werknemers uit de nieuwe lidstaten een daad van altruïsme is. Integendeel. De arbeidskrachten zijn nodig, zeker als de economie verder aantrekt. De werkloosheid in Nederland is gedaald van 7 procent een jaar geleden tot 6,1 procent nu. Het aantal openstaande vacatures bedraagt het dubbele van twee jaar geleden. Natuurlijk zal er voor een klein deel sprake zijn van verdringing van Nederlandse door Oost-Europese werknemers. Maar dat moet niet worden overdreven. Veelal is er sprake van arbeid in de land- en tuinbouw en productiewerk in fabrieken. Dat is werk waar niet veel Nederlanders voor te porren zijn.

Het is wel goed dat het kabinet heeft besloten tegelijk met het openen van de grenzen het toezicht op de naleving van CAO's, arbeidsvoorwaarden en belastingen te verscherpen. Internationale arbeidsdeling, waar hier in wezen sprake van is, creëert welvaart, maar dat moet wel gebeuren op een gelijk speelveld.

Hebben de landen die wachten met het openstellen van hun arbeidsmarkt dan ongelijk? Voor iedere lidstaat is de nationale situatie anders, maar het kan er nog van komen dat Frankrijk, België, Duitsland en Oostenrijk achteraf hun terughoudendheid betreuren. Het opvullen van gaten in de eigen arbeidsmarkt met goedkoop en relatief goed opgeleid personeel uit de nieuwe lidstaten is een gunstige manier om de economie vaart te laten houden bij een minimale opwaartse druk op lonen en prijzen. Wie daar het eerst mee begint, heeft er het grootste voordeel bij. First mover advantage heet dat in het economenjargon.

Nederland was helaas niet bij de eerste landen, maar lijkt vroeg genoeg om ook in dit opzicht volop te profiteren van de voordelen van de Europese gemeenschappelijke markt.