London Calling bewijst hoogtij van Britse pop

Concert: London Calling. Gehoord: 31/3, 1/4 Paradiso, Amsterdam.

Hij dook niet, hij kapseisde. Zanger Tim van de groep Bromheads Jacket sloeg langzaam voorover van het podium en belandde op de grond. Hij krabbelde overeind, klom het toneel op en toonde de wond op zijn voorhoofd. Tim veegde het bloed uit zijn ogen en zei 'I'm allright', waarna hij zijn gitaar in tweeën sloeg en zonder haperen overging naar het volgende nummer, nu met uitsluitend drum, bas en zang.

De zaal stond aan de grond genageld bij dit staaltje Britse doodsverachting en Bromheads Jacket werd de sensatie van het London Calling-festival. Niet alleen om hun koelbloedigheid, maar om de nagelscherpe liedjes met uitbundige woordstromen, straf en strak als een hagelstorm. De band komt uit Sheffield, niet toevallig ook de stad van Arctic Monkeys, met wie enige gelijkenis te bespeuren is.

Het tweedaagse London Calling beleefde dit keer een overvolle en opwindende editie. Groot-Brittannië zit muzikaal weer in een hoogconjunctuur. Het geloof en zelfvertrouwen zijn terug, dankzij het internationale succes van groepen als Franz Ferdinand, Kaiser Chiefs en Arctic Monkeys. Britse jongeren willen weer muzikant worden en het gros van de muzikanten leek rechtstreeks uit de schoolbank geplukt. De leden van The Kooks, Immediate, en Cinematics lijken zestien, maar dat staat de muzikale kundigheid niet in de weg. De muzikanten van Immediate speelden zelfs té goed: hun liedjes gingen alle kanten op en leken soms vervaarlijk op de jaren zeventig-softrock van Steely Dan.

Ook de publieksfavoriet The Kooks (vernoemd naar een liedje van David Bowie) bleken een hang te hebben naar powerpop uit die tijd; zij speelden vakkundige rockliedjes met iets te lieftallige samenzang, aangevoerd door een zanger die studie heeft gemaakt van de passen van Mick Jagger.

Voor muzikaal experiment ga je niet naar London Calling: hier wordt geput uit de bron van opruiende gitaarrock. Daardoor sloeg het optreden van My Latest Novel, murmelende liedjes met een prominente violist, nogal dood. Maar het concert van Mystery Jets was een triomf. Deze band bracht hun artistieke muziek zo overrompelend dat het slaan op vuilnisbakkendeksels, de tot gregoriaanse proporties uitdijende zangkunst en de soms jubelende melodieën toch een dwingend muzikaal geheel werden.

Behalve de incarnatie van Steely Dan troffen we ook nieuwe versies van The Pogues (het 'crustie-gezelschap Larrikin Love) en Blondie (The Long Blondes). Deze Long Blondes bestaan uit drie vrouwen en twee mannen - niet blond, wel aantrekkelijk - en golden als belofte van het festival. Maar de liedjes met schelle zang en rudimentair gitaarspel maakten geen vuist. Dat deden die van Humanzi, uit Dublin, wel. Met de waanzinnige oogopslag van Malcolm McDowell in A Clockwork Orange verpakte hun zanger zijn gruizige teksten over 'American culture is a vulture' in kort-affe riffs.

London Calling opende met Dirty Pretty Things, de nieuwe band van Carl Bârat, de zanger die samen met Pete Doherty The Libertines leidde. Met hun strakke leren jasjes, donkere krullen en blauwe spijkerbroeken leken zijn nieuwe bandleden klonen van Bârat zelf. De groep speelt een romantische meezing-stijl, door Bârat nog altijd mompelend gezongen; maar de drie ronddansende mannen wisten de zaal voor zich te winnen, vooral met de single Bang Bang You' re Dead en twee Libertines-liedjes.

In de bovenzaal werd het festival zaterdagnacht afgesloten door het enige trio dat muzikale vragen opriep. De zwarte zangeres zong met ongenaakbare strengheid en tierde soms als een bedrogen minnares. Haar minimale bas-spel klonk dwingend dansbaar, de liedjes leken ter plekke te ontstaan. Grote allure en maffe nummers, hier gaan we meer van horen: The Noisettes, uit Londen, onder aanvoering van Shingai Shoniwa.