CPB moet stoppen met paniekcijferij

Drie generaties Nederlanders zijn opgevoed met het credo dat verplicht sparen voor je pensioen goed is. Goed voor jezelf (wie denkt op zijn 25ste al aan zijn pensioen?) en goed voor de samenleving (hier geen omaatjes met winkelkarretjes in de kou). En Nederland heeft een extra voordeel nu de vergrijzing in aantocht is: andere landen komen op zwart zaad te zitten, Nederland heeft het kapitaal gespaard waarmee pensioenen worden betaald.

Maar helaas. Het Centraal Planbureau (CPB) concludeert in een nieuwe studie naar de kosten van de vergrijzing tot 2040 dat het sparen te weinig oplevert. De beurs is gekelderd. De rente is laag. Het belastbaar inkomen van de ouder wordende bevolking groeit te weinig om de extra kosten van de AOW goed te maken. Laat staan dat de stijgende pensioenen ook nog helpen om de extra kosten van de gezondheidszorg te bestrijden.

Conclusie van het CPB: broekriemen aanhalen en decennia bezuinigen.

In 2000 deed het Planbureau een vergelijkbare studie. Toen vielen de uitkomsten geweldig mee. Hét verschil tussen toen en nu is een bijna halvering van de veronderstelde rendementen op het pensioengeld. Toen 5,75 procent (na inflatie, geschat op twee procent), nu reëel 3 procent (na inflatie van nog steeds twee procent). Dat verschil tikt aan. Het vermogen van de pensioenfondsen alleen al van 635 miljard euro is meer dan Nederland jaarlijks aan goederen en diensten produceert. Inclusief de polissen bij verzekeraars is zelfs 980 miljard euro gespaard: gemiddeld 140.000 per huishouden.

De toekomst is altijd ongewis, maar hoe komt het CPB aan zulke lage rendementen? Het rapport ontbeert goede argumenten. In Europees overleg is de reële rente op basis van het verleden (40 jaar) op 3 procent vastgesteld, dat was in 2000 nog 4 procent. En aandelen leveren in de toekomst veel minder op dan eerst gedacht, zegt het CPB op gezag van economen.

Het CPB is ongemotiveerd pessimistisch. Kijk naar pensioenfonds PGGM, dat voor meer dan een miljoen werknemers in zorg en welzijn belegt. Rendement laatste 35 jaar: gemiddeld negen procent. Na inflatie: vijf procent.

Kijk naar Philips, dat het grootste pensioenfonds van een Nederlands bedrijf heeft. Begin 2000, ten tijde van het eerste CPNB-rapport, rekende Philips met zeven procent rendement op pensioengeld, nu met 5,7.

Kijk naar ABP, het één na grootste pensioenfonds ter wereld. Van 2000 tot en met 2005 haalde ABP jaarlijks drie procent reëel rendement. Dat is net zoveel als het CPB verwacht, maar wel met drie crisisjaren op de beurs. Alleen bij een regelmatige beurskrach is de CPB-prognose geloofwaardig.

De gevolgen van de veronderstelde lagere rendementen zijn immens. Het rapport van het CPB is het ideale spoorboekje voor Haagse en andere tobbers die vrezen voor de onbetaalbaarheid van de vergrijzing. De uitkomsten dringen zich als onvermijdelijk op aan de politici: de AOW-leeftijd verhogen, fiscale subsidies voor hypotheken en/of pensioen drastisch reduceren, als u maar bezuinigt, en veel. Natuurlijk is er niets tegen sombere voorspellingen. Misschien is het zelfs wel de taak van het CPB als 'rijksrekenmeester' om politici daarmee te confronteren, maar dan wel in samenhang met meerdere scenario's. Ingrepen in pensioenen, sociale zekerheid of de renteaftrek op woninghypotheken moeten de inzet zijn van publiek debat. Niet de uitkomst van twijfelachtige veronderstellingen van het Centraal Planbureau.

Het CPB-rapport Ageing and the Sustainability of Dutch Public Finances is te verkijgen via www.cpb.nl

Menno Tamminga is redacteur van NRC Handelsblad.

    • Menno Tamminga