'We zijn te bang voor agressief gedrag'

Tot in de jaren negentig was het taboe: publiceren over de hoge criminaliteit onder allochtone jongeren. Frank Bovenkerk was een van de eersten die dat taboe doorbraken.

'Of we dit hadden kunnen zien aankomen?' Frank Bovenkerk moet nadenken. We hebben het over de buitensporig hoge misdaadcijfers onder allochtone jongeren, vooral die van Marokkaanse komaf. 'Tien jaar geleden zouden deze cijfers ons met stomheid geslagen hebben. Het is niet dat we ons toen niet verdiepten in de sociaal-culturele problemen van minderheden, integendeel. We zagen de moeilijke situatie van vaders die alleen in Nederland werkten, terwijl de achtergebleven moeders wanhopig probeerden hun kinderen onder de duim te houden. Als laatste redmiddel moest het gezin dan maar naar Nederland komen. Maar we wisten te weinig van het falende opvoedingssysteem in zulke families. In bepaalde families zie je het gebeuren, de ene na de andere zoon ontspoort, je kunt erop wachten. Aan zulke gevallen zul je echt iets moeten doen.'

Bovenkerk is hoogleraar criminologie aan het Willem Pompe Instituut voor Rechtswetenschappen van de Universiteit van Utrecht. Zijn werk kenmerkt zich door realiteitszin; of het nu gaat om de Turkse maffia, om de georganiseerde misdaad, de golf van bedreigingen waar ons land de afgelopen jaren mee te maken kreeg of het recente verschijnsel van de zogenaamde loverboys, jongens van Marokkaanse komaf die jonge Nederlandse meisjes voor zich laten tippelen, sinds jaar en dag toetst hij de verhitte aannames van de politiek en de publieke opinie aan feitelijk onderzoek. Zijn getuigenis voor de parlementaire commissie Van Traa, in 1995, waarbij hij stelde dat enkele tientallen procenten van de mannen uit de Turkse gemeenschap bij de heroïnehandel waren betrokken, riep veel verontwaardiging op. Later nuanceerde Bovenkerk die cijfers, maar hij hield voet bij stuk wat de algemene strekking van zijn uitspraken betrof.

'Ik had nu eenmaal in het materiaal gezien dat de situatie zo was, althans in sommige buurten, dus moest ik dat onder ede naar voren brengen. Ik kreeg hier veel woedende reacties, maar die had ik wel verwacht. Wat ik niet verwacht had, was dat ik in de rioolpers van Turkije dagenlang voorpaginanieuws zou zijn. Wat raar was, want iedereen wist het allang. Maar erover praten, dat doe je niet. Ik was de eerste die openlijk beweerde dat er banden bestonden tussen de Turkse overheid en moordenaars die in Europa vuile karweitjes opknapten, de zogenaamde Grijze Wolven. Die richtten zich aanvankelijk tegen Armeniërs, later tegen Koerden. In ruil voor zulke diensten werd hun alle ruimte gelaten om grote hoeveelheden heroïne te transporteren. De toenmalige premier van Turkije heeft de rector magnificus van mijn universiteit met klem verzocht mij per onmiddellijk te ontslaan.'

Politiek correct

Het optreden van Bovenkerk voor de commissie Van Traa kun je zien als een omslagpunt; sindsdien is het niet langer taboe om de feiten over de hoge criminaliteitscijfers in bepaalde minderheidsgroepen onder ogen te zien. 'Achteraf', schrijft hij in zijn boek Misdaadproflelen uit 2001, 'spijt mij nog het meest dat ik hiermee onderdeel ben geworden van de verschuiving van het spectrum van meningen waarin het minderhedendebat op dit moment wordt gevoerd.' Want dat de getuigenis van Bovenkerk zoveel losmaakte, kwam vooral ook omdat hij tot dan toe bekend stond als een onvermoeibaar racismebestrijder, een wetenschapper die uit overtuiging politiek correct was. Hij was niet de eerste die een verband tussen misdaad en etniciteit legde, zegt hij nu in zijn huiskamer in Amsterdam-Zuid. 'Daarvoor waren er enkele proefschriften en een nota van twee Amsterdamse politiemannen die op gezag van de toenmalige burgemeester Van Thijn stilgehouden werd. Ikzelf had toen ook nog de neiging om me heftig tegen zulke verbanden te verzetten, om ze met alle middelen van de wetenschap onderuit te halen. Maar die onderzoeken klopten methodisch wel degelijk, er viel niets op af te dingen.'

Hoe verklaart Bovenkerk die instinctieve weigering om de feiten onder ogen te zien, die hij in die jaren met zoveel andere progressieve Nederlanders deelde? 'Ik ben in 1988 met criminologie begonnen, daarvoor was ik betrokken bij allerlei onderzoeken naar minderheden. Die hele wereld van de migratieonderzoekers zat erg dicht tegen de doelstellingen van de overheid aan, was ook volledig afhankelijk van subsidies. Waar iedereen het toen over eens was, was dat er onder minderheden geen permanente sociaal-economische achterstand mocht ontstaan, zoals in de Verenigde Staten was gebeurd. Dat moest koste wat het kost vermeden worden. Dus alles wat daartoe zou kunnen bijdragen, zoals stigmatisering, waardoor werkgevers zouden kunnen zeggen, ik moet die jongens niet in mijn bedrijf, daar waren we niet van gecharmeerd. We waren ook lang van mening dat die cijfers niet zo heel veel zeiden, dat ze het product waren van bevooroordeelde opsporingsmethoden. In de jaren zeventig is het voorgekomen dat bij een onderzoek naar criminaliteit Surinamers erg hoog scoorden en dat die cijfers niet naar buiten gebracht werden, omdat dat de situatie alleen maar erger zou maken. De leider van het onderzoek zei later tegen mij: we wisten tijdens het onderzoek niet dat dat kwam, omdat de politie selectief te werk ging bij aanhoudingen. Hadden we dat geweten, dan hadden we het wel durven publiceren!'

Lamgeslagen

Dat een reactie op zo'n angstvallige houding niet achterwege kon blijven, is dus wel begrijpelijk. 'Jazeker, alleen is het nu te ver doorgeschoten. Het is nu politiek correct om vooral niet politiek correct te zijn.' Wat de toon van het debat betreft, lijkt me dat evident. Maar waar blijkt dat uit in de praktijk? 'De wetenschap laat op dit gebied te weinig van zich horen, de columnisten en politici bepalen het debat. Men is een beetje lamgeslagen. Keer op keer wordt er, bijvoorbeeld door Ayaan Hirsi Ali, botweg gesteld dat het verband tussen criminaliteit en etniciteit een nationaal taboe is, terwijl er het afgelopen decennium zo'n beetje niets anders is onderzocht! Dat de politie vaak wel degelijk selectief optreedt, mag je nu niet meer zeggen. Ik weet niet hoeveel procent dat in de statistieken uitmaakt, maar waar het mij om gaat is dat het volkomen not done is om daar nog naar te kijken. Dan ben je soft. En over discriminatie op de arbeidsmarkt wordt ook veel te wegwerpend gedaan.

'Er bestaat ook een neiging om alles terug te voeren op cultuur. Ik geef vanaf de jaren zeventig al voorlichting aan de politie en wat zij denken nodig hebben, is zoveel mogelijk informatie over culturen. Hoe zit het bij Hindoestanen, wat is nu precies de achtergrond van een Turk? Toen ik merkte dat het vooral een exotische belangstelling was, ben ik daarvan afgestapt. Er zijn honderdveertig nationaliteiten in Nederland, daar kun je je toch niet allemaal in verdiepen? Men heeft de neiging alles vanuit de culturele achtergrond te verklaren. Laten we het eens over júllie hebben, heb ik tegen die politiemensen gezegd, houden júllie rekening met iemands achtergrond wanneer je hem staande houdt? En hoe beoordeel je dat? Ik ben toen meegegaan op patrouille.'

Wat heeft hij daarvan geleerd? 'Sommige politiemannen vragen zich inderdaad af of iemands afkomst ermee te maken heeft dat hij wordt aangehouden. Ik vind dat ze zich daar bewust van moeten zijn. Cultuur mag alleen een rol spelen wanneer dat relevant is. Ik bedoel, de rechtelijke macht krijgt nog steeds cursussen Caraïbische criminaliteit. Men denkt te gauw: op Curaçao zit het zus-en-zo in elkaar, dus zal het in dit geval ook wel zo zijn. Men denkt niet: ik heb iemand voor mij staan die behoort tot een groep mensen die zijn eigen cultuur samenstelt. Die cultuur bestaat uit wat de ouders overdragen, maar ook uit wat de jongeren op televisie zien en wat ze op school tegenkomen. Die mengelmoes van culturen tref je ook aan in de taal die ze gebruiken, waarin het Surinaams overigens domineert. Men construeert zijn eigen cultuur, waaronder opvattingen over seks. Het idee dat cultuur in een rugzak wordt meegenomen uit het land van herkomst en wordt overgebracht op de volgende generatie, is achterhaald. Immigranten maken deel uit van een multiculturele samenleving die aan razendsnelle veranderingen onderhevig is. Daarbij spelen de media een allesoverheersende rol. Dus de rechter kan zich beter laten voorlichten door een deskundige op het gebied van de jeugdcultuur dan door de Suriname-kenner of de islam-deskundige die met de koran komt aanzetten.'

Toch kun je iemands culturele achtergrond onmogelijk negeren. 'Natuurlijk. Je moet alert zijn welke rol iemands achtergrond heeft, maar ik zeg, wees sensitief, vraag je in ieder geval af welke rol het dan eventueel zou spelen. Je moet dus uit zien te vinden of het gewoon om een rotjongen uit Amsterdam-West gaat, die zijn culturele achtergrond gebruikt als excuus of dat het werkelijk gaat om iemand die de gedragsvoorschriften van zijn vader in praktijk brengt. Dat is verdraaid moeilijk.'

Nog meer aandacht

Bovenkerk vraagt tijd en aandacht - en dat is juist waar veel mensen geen zin meer in hebben. Die denken, nog meer aandacht? De ruiten van mijn auto zijn weer ingeslagen, die jongens moeten zo hard mogelijk worden aangepakt. 'Natuurlijk, en ik moet bekennen dat ik die reactie zelf ook wel ken. Ik leg net, met een aantal collega's, de laatste hand aan een studie over het verschijnsel loverboys. Daarvoor heb ik nachtenlang op de Wallen rondgelopen en dan zie je die snotapen daar staan. Er zijn momenten geweest dat ik dacht: ik moet helemaal geen onderzoek doen, ik moet ze een draai om hun oren geven. Ik ben ook wel gevallen tegengekomen waarbij effectief tegen die loverboys is opgetreden. Een agent is op de Ruysdaelkade op zo'n jongen in een bmw afgestapt en heeft tegen hem gezegd dat hij hem daar nooit meer wil zien. Dat helpt, net als die leraar die gewoon op het schoolplein de confrontatie met een van die jongens is aangegaan en ze de huid vol heeft gescholden. Wij zijn vaak weerloos tegen dit soort intimidatie, we weten ons geen raad met schaamteloos agressief gedrag. Wij gaan oplossingen op de lange termijn bedenken, en jonge meisjes voorlichten zodat ze niet in handen van loverboys zullen vallen. Het is domweg angst. Je moet tijdig ingrijpen, voordat ze een volledig criminele praktijk kunnen opbouwen. Als zulke jongens nu worden opgepakt, komt er een heel arrestatieteam aan te pas.'

Maar angst zorgt er ook voor dat minderheden aan de ene kant worden aangespoord volledig te integreren en aan de andere kant als fundamenteel anders worden gezien. 'Criminaliteit komt alleen voor bij etnische minderheden die drie factoren gemeenschappelijk hebben. Ten eerste moeten ze tot de lage sociaal-economische klasse behoren. Ten tweede moet er een gebrek aan cohesie, aan onderlinge sociale controle zijn, zoals je dat ziet bij Marokkaanse Nederlanders en eigenlijk niet bij Nederlanders van Turkse afkomst. En specifiek komt daar bij Antillianen en Marokkanen dan nog het systeem van opvoeden bij. Dat heeft er duidelijk mee te maken, dus daar moet je je serieus mee bezighouden.'

Ondertussen wijzen heel veel onderzoeken op het feit dat verschillende groepen in Nederland steeds verder van elkaar verwijderd raken. Men leeft langs elkaar heen. 'Dat is zeker zo. Ik heb het zien gebeuren. In Nederland ging men lang heel ontspannen met elkaar om als het ging om onderlinge relaties en huwelijken. Indische meisjes en ook jongens waren gewild als partner. Ook voor Surinamers gaat dat op, en een tijdlang gold het ook voor Antillianen. Zelfs bij de tweede generatie Molukkers trouwde de helft met een Nederlander. En toen kwamen er mannen uit Turkije en Marokko. Dat waren mannen alleen en aanvankelijk woonden ze in pensions. Ze hadden Nederlandse vriendinnen. Dat hield op toen hun vrouwen overkwamen, want in een eercultuur moet je om je vrouw heen gaan staan. Begin jaren tachtig waren er in Utrecht ineens relletjes, dat weet nu niemand meer. Ik heb daar studenten op afgestuurd om met alle partijen te praten. De Hollanders zeiden, we staan open voor deze mensen, laat ze maar komen. Ze hadden goede ervaringen, de vrouwen die een relatie met een Turk hadden, werden Turkenmoeders genoemd, omdat ze die mannen wegwijs maakten in de Nederlandse samenleving. Maar die immigranten keerden zich af van de Nederlandse samenleving, ze gingen hun eigen kleine samenleving maken, de buurt veranderde van karakter, er kwamen moskeeën en eigen winkels. Men ging met zijn rug naar Nederland staan. Dat hadden de Nederlanders nog niet eerder meegemaakt, men voelde zich afgewezen. Het percentage Turken en Marokkanen dat met een Nederlander is getrouwd, is nog altijd te verwaarlozen zo klein, zelfs na zoveel jaren. Het grote verwijt van die mensen meer dan twintig jaar geleden, en het is alsof je Rita Verdonk nu hoort praten, was: ze doen niet mee. We stellen ons open, we organiseren straatfeesten, maar ze komen niet. Hun kinderen gaan niet mee op schoolreisje, ze hebben geen geld voor de sportvereniging. Dat was toen de grote klacht. We wisten niet wat we hoorden.'

Verruwd

De huidige cijfers zijn niet hoopgevend. 'Ik ben ook niet optimistisch. Toen we met onze onderzoeken begonnen, was dat vanuit een erg positieve instelling. Nu zou ik al blij zijn wanneer men elkaar niet de hersens inslaat. We moeten proberen het in ieder geval niet zo ver te laten komen. De situatie is erg verruwd. Die aloude multiculturele idealen zijn nu de idealen waartegen men zich heftig verzet. Maar met de doeleinden die we ons toen stelden, is helemaal niets mis. Je moet voorkomen dat er een permanente onderklasse ontstaat, die ook nog eens etnisch gekleurd is. Daar gaat het nog steeds om. En er zijn aspecten van het aloude multiculturalisme waar ik nog vierkant achter sta, zoals het aanmoedigen van wederzijds respect.'

Hoe kun je het beste voorkomen dat zo'n onderklasse ontstaat? 'Een tijdlang dacht men, kijk naar de Surinamers, het komt met Turken en Marokkanen vanzelf wel goed. Dat hoor je mij nu niet zeggen, die groepen staan bloot aan allerlei centripetale bewegingen, die niet zo gemakkelijk te beheersen zijn. Zaak is ze niet verder in de hoek te drijven. Er is positieve actie nodig, de mensen moeten in de eerste plaats aan het werk - en niet in allerlei onzinbanen. Kijk bijvoorbeeld eens hoeveel van mijn collega's aan de universiteit er afkomstig zijn uit de doelgroepen van het minderhedenbeleid. In Utrecht heb je één hoogleraar van Surinaamse afkomst. Onder de zeshonderd universitaire hoofddocenten bevindt zich er geen een, onder de zestienhonderd docenten zijn het er niet meer dan dertig. Dan denk je, in de toekomst zal het beter worden, maar onder de vijfhonderd aio's die zijn afgestudeerd, vind je er maar enkele tientallen. Denk je eens in, alle studenten krijgen zelden of nooit te maken met een eminente persoonlijkheid uit die minderheidsgroepering die hun ideeën over die groepen bijstelt. Dat geldt zelfs nog voor Surinamers, men is niet aanwezig binnen de kunst en de wetenschap. Alleen in de politiek ligt dat anders.'

Veel werkgevers hebben geen zin in problemen met hun personeel en scheren alle allochtone jongens voor het gemak over één kam. 'Natuurlijk. Het kost een werkgever veel tijd en moeite om iemand als individu in te schatten. Dus zullen ze er domweg vanbovenaf toe gedwongen moeten worden. Je zult dus niet met een inspanningsverplichting moeten komen, maar met een resultaatsverplichting. Ik ben in 1986 in Amerika gaan kijken hoe ze dat daar aanpakten, met hun affirmative action (positieve discriminatie- red.). Die aanpak heeft aantoonbaar succes gehad, daar hebben ze de zwarte middenklasse aan te danken. Zonder positieve discriminatie zou ook iedere werkgever daar van tevoren hebben gezegd, de risico's zijn veel te groot, daar begin ik niet aan.'

In het buitenland noemen ze de Hollandse obsessie met iemands culturele achtergrond de 'Nederlandse ziekte'. Leggen wij nu te veel nadruk op iemands afkomst of zij juist te weinig? 'Allebei. Vergeet niet dat ieder land zijn eigen geschiedenis heeft. Wat Duitsland betreft, kun je je voorstellen hoe omzichtig men daar nog altijd is, wanneer het gevaar van stigmatisering dreigt. In Frankrijk, en in mindere mate ook in België, huldigt men de burgerschapsopvatting, waarbij afkomst geen enkele rol mag spelen. In Engeland rust op het debat nog altijd de zware hypotheek van het schuldbesef vanwege het kolonialisme. Veel cultuurrelativistische ideeën komen daarvandaan. Aan de andere kant zie je in de Engelse reacties op de cartoonrellen ook nog iets van de oude pacificatiegedachte die het koloniale bestuur kenmerkte: je moet onrust onder de onderworpen volkeren zo veel mogelijk vermijden, door ze tegemoet te komen in hun religieuze eigenaardigheden. De Nederlandse obsessie met iemands culturele achtergrond heeft volgens mij vooral te maken met de traditionele verzuiling. Met ziet de samenleving verdeeld in blokken die een zekere mate van interne soevereiniteit hebben. Mensen die anders zijn dan wij moet je als zodanig accepteren, maar je gaat je ook niet te veel in elkaar verdiepen. Dat brengt het gevaar van stereotypen met zich mee. En dat gevaar is nu groter dan ooit.'

Het meeste recente boek van Frank Bovenkerk (samen met anderen) is 'Bedreigingen in Nederland'. Uitgeverij Augustus, O 18,50,- Later dit jaar verschijnt bij dezelfde uitgeverij 'Loverboys; of modern pooierschap', geschreven met Marion van San en de criminologiestaf van het Willem Pompe Instituut.

Bas Heijne is redacteur van NRC Handelsblad.

Vincent Mentzel is fotograaf van NRC Handelsblad.

[streamers]

'Ik denk ook wel eens: ik moet ze een draai om de oren geven.'

'Ik zal al blij zijn als men elkaar de hersens niet inslaat.'

    • Bas Heijne