WAT ER BROEIT IN DE BANLIEUE

Vorig jaar november stond de Franse banlieue in brand. De Republiek maakte zich grote zorgen. Maar de eerste rellen vonden al 25 jaar geleden plaats in Lyon. Toen hadden de immigranten nog politieke dromen, nu keren ze zich boos van Frankrijk af.

Gert van Langendonck en fotograaf Karim Ben Khelifa huurden 2 maanden een flatje in de banlieue Vénissieux, het getto van Lyon. Ze troffen bittere jongens, maar ook slimme meiden.

'In mijn banlieue voel ik mij Frans, zodra ik die verlaat voel ik mij een buitenlander.

Dus blijf ik liever binnen.'

Wat Djamel Attalah zich vooral herinnert, is hoe zijn hand langzaam warm werd van het bloed. Het was op een zomeravond aan het eind van de ramadan, en Attalah en Toumi Djaidja stonden nog wat te kletsen aan de voet van de toren Monmousseau nummer 10 toen ze plotseling een vreselijk gekrijs hoorden. 'We liepen ernaar toe en zagen hoe een politiehond een jongen uit de buurt aan het bijten was. Toumi greep de hond.' Toen viel het schot. 'Ik greep Toumi vast. De politie heeft de hond ingeladen en is vertrokken. Ze hebben niet eens een ziekenwagen gebeld; dat heb ik zelf moeten doen.'

Enkele uren later werd Les Minguettes, de hoogbouwwijk van Vénissieux, een buitenwijk van Lyon, omsingeld door de oproerpolitie. 'C'était la bagarre générale', zegt Attalah, 'het gevecht tussen de politie en de jongeren van de wijk heeft drie tot vier uur geduurd. Ondertussen was Toumi in het ziekenhuis voor zijn leven aan het vechten.'

Deze veldslag vond niet plaats tijdens de rellen van november vorig jaar, toen de hele wereld de Franse banlieue leerde kennen. Het gebeurde 23 jaar eerder, op 18 juni 1983. Monmousseau 10 bestaat niet meer; de woontoren werd enkele jaren geleden afgebroken in het kader van een nieuw stedenbouwkundig beleid. Het is in een kille en lawaaierige snackbar aan de voet van Monmousseau 2 dat Djamel Attalah, nu 42, terugblikt op de gebeurtenissen van toen.

Maar het incident had zich net zo goed gisteren kunnen afspelen. Naast Attalah zit, een beetje tegen zijn zin, zijn 17-jarige neef. Hij wil zijn naam liever niet in de krant, dus we zullen hem Kadir noemen. Kadir is het soort jongen dat minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy graag als 'uitschot' omschrijft. In deze snackbar werd hij tijdens de rellen van november vorig jaar tegen de grond gewerkt door een politieman die hem achternazat. In zijn rapport schreef de agent dat hij Kadir herkende als een van de jongeren die met stenen naar de politie hadden gegooid. Kadir ontkent. 'Ze schrijven toch gewoon op wat ze willen?'

Volgens de laatste officiële cijfers van 18 november 2005 zijn er in heel Frankrijk na de rellen 3.101 jongeren zoals Kadir aangehouden. 422 van hen kregen een gevangenisstraf. Maar ook wie niet de cel in moest, is voortaan 'bekend' bij de politiediensten. Van alle opgepakte jongeren werden niet alleen de vingerafdrukken maar ook dna-profielen genomen. 'Verder is er absoluut niets veranderd sinds 1983', zucht Djamel Attalah.

De Mars

Bij nader inzien waren ze naïef geweest, Attalah en de anderen, die in 1983 het initiatief namen voor de 'Mars voor de Gelijkheid en tegen het Racisme', door de media omgedoopt tot la marche des beurs. Die woorden zijn belangrijk, zeker in Frankrijk. Beur (beurette voor de meisjes) is geen scheldwoord. Het staat voor Arabier in het verlan, de straattaal die woorden opsplitst in lettergrepen, die omkeert en samentrekt (verlan zelf is het omgekeerde van à l'envers, omgekeerd). Vandaag wordt het woord vooral als betuttelend ervaren. Daarom hebben de jongeren het opnieuw geverlaniseerd tot rebeu. Voor een demonstrant van het eerste uur zoals Djamel Attalah staat beur vooral voor de manier waarop de Franse politiek de Mars en alles waarvoor zij stond, heeft ingelijfd en onschadelijk gemaakt.

Het idee kwam van Toumi Djaidja, de jongen die door de politie werd neergeschoten. Vanuit zijn ziekenhuisbed stelde hij voor een voetmars op Parijs te houden om te protesteren tegen het brute optreden van de politie en het racistisch geweld in Frankrijk. Een katholieke priester, Christian Delorme, had er vorm aan gegeven. En Djamel Attalah was een van het dozijn jongeren dat op 15 oktober 1983 in Marseille aan de tocht was begonnen.

Marseille was een symbolische keuze: daar waren de meeste Algerijnse migranten van de boot gestapt.

De rellen van 1983 waren niet eens de eerste geweest: al in de 'hete zomer' van 1981 staken de jongeren 250 veelal gestolen auto's in brand. Sindsdien was Vénissieux synoniem voor de problemen van de banlieue. Het klimaat in Frankrijk toen was niet vergelijkbaar met vandaag. De oorlog in Algerije (1954-62) lag nog vers in het geheugen. In de inderhaast opgetrokken hoogbouwwijken woonden de pied-noirs, de ex-kolonisten die het opgeven van Algerije door De Gaulle niet konden verkroppen, vlak naast de Algerijnse migranten die Frankrijk had laten aanrukken als goedkope arbeidskrachten. Er waren veel racistische moorden. In La Courneuve bij Parijs, waar minister Sarkozy in 2005 zijn beruchte uitspraak zou doen over 'het schoonvegen van de wijken met de hogedrukspuit', schoot een Fransman op 9 juli 1983 vanuit zijn raam de 9-jarige Toufik Ouanes dood omdat hij te veel lawaai had gemaakt. In Straatsburg gooiden drie Franse legionairs de Algerijnse toerist Habib Grimzi uit een rijdende trein. Ook tijdens de Mars waren er incidenten.

'Ergens in het zuiden versperde een auto ons de weg', vertelt Djamel Attalah, 'en een van de inzittenden richtte een geweer op ons. Ik heb de anderen toen kunnen overtuigen om niet op de provocaties in te gaan. We hebben de racistische beledigingen over ons heen laten gaan en we zijn verder gemarcheerd.

We hadden een doel.'

Dat doel was: in Parijs de boodschap uitdragen 'dat er in uw midden een jeugd bestaat die misschien een andere huidskleur en krulhaar heeft maar die daarom niet minder Frans is. Wat wij wilden zeggen was: wij bestaan, wij maken deel uit van deze natie, wij zijn Frans. Je moet dat in zijn tijd zien: Richard Attenborough had net zijn film over Gandhi uitgebracht, op televisie liep een wekenlange serie over Martin Luther King. Geweldloos verzet was in de mode.'

Ontvangst op het Elysée

De Mars had een onverwacht succes: toen de marcheerders in Parijs aankwamen, werden ze daar verwelkomd door wel honderdduizend mensen. Na afloop werd een delegatie door president François Mitterrand op het Elysée ontvangen. Attalah was erbij. 'Het was grappig: toen Mitterrand mij de hand schudde, zei hij: Wij hebben elkaar al eens ontmoet. Dat was waar: hij was eens in Vénissieux op bezoek geweest en ik maakte deel uit van het ontvangstcomité.' Mitterrand deed de jongeren een toezegging: voortaan hoefden migranten slechts om de tien jaar hun verblijfsvergunning te hernieuwen in plaats van elk jaar, en het stemrecht voor migranten 'bleef een punt van zorg'. Toen ze naar buiten kwamen zei een verlegen Toumi Djaidja tegen de tv-camera's: 'Il y a déjà un pas vers l'égalité.' (Er is een eerste stap gezet in de richting van gelijkheid.)

'Ja, wij waren sterren voor één dag', zegt Attalah nu schamper. 'Maar al de dag daarop werd alles in het werk gesteld om ons buiten spel te zetten. Er was op hoog niveau besloten dat een politiek instrument als de anti-racismebeweging te belangrijk was om in handen van een stel jonge Arabieren te laten. En dus hebben ze SOS Racisme opgericht, de sterren van de entertainmentindustrie laten aanrukken en de campagne 'Touche pas a mon pôte' (Kom niet aan mijn maat) bedacht.'

Toen volgde een periode in de geschiedenis die bij de meeste mensen warme herinneringen oproept. Heel even was heel Frankrijk verenigd in de 'black-blanc-beur'-gedachte. Het racisme behoorde tot het verleden. Linkse jongeren in heel Europa droegen nog jarenlang op hun parka's de witte handjes met 'Touche pas a mon pôte'. Maar voor de initiatiefnemers was het een bittere pil. 'Onze beweging was in feite geannexeerd door de Parti Socialiste', zegt Attalah. 'Wijzelf waren geheel aan de kant geschoven.'

De marcheerders verdwenen stilletjes in de coulissen. Attalah keerde niet meer terug naar Les Minguettes; hij bleef in Parijs waar hij een bedrijfje opstartte en zich in de lokale politiek stortte. Toumi Djaidja, de icoon van de Mars, ging een tijdje de cel in voor losstaande delicten. Daar bekeerde hij zich tot de ultra-conservatieve islam. Op zaterdagochtend verkoopt hij gebraden kippen op de markt van Les Minguettes. Over de Mars wil hij niet meer praten.

Moslim én Fransman

Vraag vandaag aan Kadir - zeventien jaar oud, in Frankrijk geboren met de Franse nationaliteit - hoe hij zichzelf definieert en hij antwoordt meteen: moslim. Niet: Fransman.

Zijn oom Attalah, die nog steeds rotsvast gelooft in de waarden van de Republiek, kan dat niet zomaar aanvaarden. Hij dringt aan: 'Maar denk je dan niet dat je tegelijk moslim én Fransman kan zijn?' 'Nee, dat is niet mogelijk.' 'Waarom niet?' 'Omdat het niet mogelijk is.' 'Maar waarom niet?' 'Dat komt door de Fransen.'

Kadir is nog maar net teruggekeerd naar het ouderlijke huis. Zoals veel van zijn leeftijdsgenoten was hem na zijn arrestatie door de rechter een 'verwijderingsmaatregel' opgelegd. Dat wil zeggen dat hij zich drie maanden lang niet in Les Minguettes mocht vertonen, behalve om naar school te gaan. Elke ochtend en avond moest hij zich melden bij het politiebureau van het 7de arrondissement in Lyon. 'Gelukkig kon hij logeren bij een tante in Lyon', zegt Attalah. 'Het is echt geen slechte jongen. Hij is altijd braaf naar school gegaan.'

Maar braaf zijn, zegt Kadir zelf, is vandaag de dag geen optie in de banlieue. 'De banlieue is geen plaats voor zwakkelingen. Je moet voortdurend op je hoede zijn, en op geen enkel moment een teken van zwakte tonen.' Dat verklaart mogelijk waarom Kadir zich die avond op straat bevond toen de buurtjongeren in een veldslag waren verwikkeld met de oproerpolitie. 'Ik was daar omdat iedereen daar was', zegt hij. Datzelfde heeft hij tegen de rechter gezegd.

Sociologen en filosofen op de Franse talkshows wisten in november allemaal perfect wat de banlieue-jongeren wilden zeggen door al die auto's in brand te steken. Maar opmerkelijk genoeg lijken de jongeren zelf daar geen enkel idee van te hebben. 'Het is frustrerend', zegt Myriam Matari (31), een advocate die Kadir en andere jongens heeft verdedigd. 'Je steekt uren in de voorbereiding van zo'n jongen, en wat is het eerste dat hij doet als hij de rechtszaal binnenstapt? Hij tutoyeert de rechter. En als die hem vraagt waarom hij heeft meegedaan aan de rellen, dan komt er niet meer uit dan: Kweet het niet. Of: Omdat iedereen het deed.' Soms, zegt ze, 'voel ik mij meer tolk dan advocaat. Deze jongeren hebben gewoon de woorden niet meer om met de buitenwereld te kunnen praten. In de jaren tachtig hadden ze nog een politieke boodschap. Vandaag is de enige boodschap dat ze boos zijn.'

Wat is het wereldbeeld van een jongen als Kadir? Om te beginnen gelooft hij niets van wat de media hem vertellen. 'Osama Bin Laden, c'est un coup monté, dat is allemaal verzonnen', zegt hij. Hetzelfde geldt voor 11 september. 'Ze zijn bereid om hun eigen landgenoten op te offeren om een excuus te hebben om de islamitische wereld aan te vallen.' Hij gaat nog een stapje verder: 'Hoe moet Hitler zes miljoen joden verbrand hebben in ovens? Ik geloof dat niet. Of misschien hebben de joden dat zelf gedaan om zichzelf als slachtoffers te kunnen voorstellen.' Ook aids is un coup montê. 'Ze hebben al lang een vaccin maar ze houden het voor zich.' 'Ze', dat zijn voor Kadir les envahisseurs, de indringers. 'Weet ik veel: de Amerikanen, de joden... Dat is top secret allemaal. Het is een grote manipulatie die al eeuwen duurt.'

Kadir heeft het gevoel dat alles al voor hem beslist is, door diezelfde 'indringers'. Over zijn toekomst maakt hij zich geen illusies. Zijn enige toekomstdroom is naar Thailand te gaan. Een vriend van hem was daar eens op vakantie en zag er tot zijn verbazing hoe jongens als hij door de uitsmijters de discotheken werden binnengesleurd, in plaats van buitengehouden, zoals in de pubs van Lyon. Dat wil Kadir wel eens met zijn eigen ogen zien.

Transformatorhuisje

Het waren cijfers die de wereld verbluften. Sinds 27 oktober 2005, de dag waarop Zyed Benna (17) en Bouna Traoré (15), de dood vonden in het transformatorhuisje van Clichy-sous-Bois, zijn in heel Frankrijk meer dan negenduizend auto's in brand gestoken.

Maar op 17 november deelde de politie mee dat de rust was teruggekeerd, omdat de af- gelopen nacht nog 'slechts' een honderdtal auto's in brand waren gestoken, een 'normaal' aantal. Op de schaal van Vénissieux betekent dat een gemiddelde van één auto per dag, het hele jaar door.

Omar Bouzerzour heeft in zijn leven een paar auto's in brand gestoken. 'Hoe gaat zoiets? Eén keer had een buurman mijn moeder uitscholden voor sale arabe, vuile arabier. Dus heb ik zijn auto in de fik gestoken. Een andere keer ging het om een gestolen bestelwagen waar we vanaf moesten.'

Omar is nu 28 en hij steekt al lang geen auto's meer in brand. Maar hij kan zich nog goed inleven in de mentaliteit van de pubers die in november het gros van de relschoppers uitmaakten. 'Bien, bien', zegt hij over de rellen. 'Ik hoop dat ze in Parijs beseffen dat er nog veel ergere dingen kunnen gebeuren als ze niets doen om de situatie te verbeteren. Want het zand dat ze ons in de ogen hebben gestrooid is zich aan het oplossen.'

Wat hij bedoelt, is dat het op den duur goed fout gaat als mensen als Kadir niet meer hebben om naar uit te kijken dan het lot van Omar: 28 jaar oud, werkloos en financieel afhankelijk van zijn familie. Omars carrière is helaas typisch voor de banlieue. De werkloosheid in Vénissieux bedraagt 19,6 procent, en voor jongeren onder de 25 jaar zelfs 45 procent. En wie zoals Omar zijn 'bac' niet heeft gehaald, het diploma dat toegang verschaft tot de universiteit, maakt niet veel kans op de huidige arbeidsmarkt. 'Voor mensen als ik staat er nog maar één sector open', zegt Omar, 'en dat is de veiligheidssector. Elders moeten ze ons niet; ze willen alleen blanken hebben.'

Omar mag dan zijn school niet hebben afgemaakt, hij heeft wel veel tijd gehad om na te denken. Genoeg om te beseffen dat zijn visie op de buitenwereld mogelijk niet helemaal klopt. 'Maar het is de opeenstapeling van frustraties die ervoor zorgt dat je op den duur paranoïde wordt. Je raakt geconditioneerd. Vind je het gek? Als je een baan zoekt, moet men je niet hebben. Als je een woning zoekt, moet men je niet hebben. Als je met vrienden een glas wil gaan drinken in een pub in Lyon word je geweigerd, nota bene door iemand die er precies zo uitziet als jij en die geen andere baan heeft kunnen vinden dan uitsmijter.'

Hij heeft er zijn conclusies uit getrokken. 'Ik kom bijna niet meer buiten mijn banlieue, behalve om vrienden op te zoeken. Daarbuiten is het toch alleen maar stressen.' Het is een sentiment dat je in de banlieue wel vaker hoort. Mohamed Ali, een 33-jarige technicus voor France Telecom, zegt het zo: 'In mijn banlieue voel ik mij Frans, zodra ik de banlieue verlaat voel ik mij een buitenlander. Dus blijf ik liever in mijn banlieue.' Groepsverkrachting

Omar is niet helemaal paranoïde. Volgens de officiële cijfers is de werkloosheid onder vreemdelingen van niet-Europese oorsprong driemaal hoger dan onder Fransen en vreemdelingen van Europese oorsprong, en die statistiek houdt niet eens rekening met buitenlanders die de Franse nationaliteit hebben. Veel jongeren wachten dan ook niet langer af tot hun negatieve wereldbeeld bevestigd wordt door de realiteit: ze gaan er bij voorbaat vanuit dat Frankrijk hen toch niet moet.

'Op den duur gaat men van zijn gevangenis houden', zegt advocate Myriam Matari. 'In plaats van af te wachten tot de samenleving hen verwerpt doen veel jongeren er zelf alles aan om verworpen te worden. Dat geldt voor groepsuitstapjes naar het stadscentrum, waar ze zich vaak erg agressief gedragen, maar ook bijvoorbeeld voor hun relatie tot het andere geslacht. Ze spreken meisjes op zo'n manier aan dat die hen wel móéten wegsturen. En als dat dan ook gebeurt, worden ze gewelddadig. Dan is het meisje een pute (hoer), of is het van: Je was toch te lelijk voor mij.'

In de auto, op weg naar een restaurant in het centrum van Lyon, gaan Lumia Rahmuni (30) en Ouahiba Mouchmouche (33) meteen weer in discussie over de tournantes, de groepsverkrachtingen. 'Het kan toch niet anders of die meisjes hebben dat zelf gewild', zegt de werkloze Ouahiba. 'Maar nee,' zegt juriste Lumia, 'het kan toch zijn dat zo'n meisje verliefd is op een jongen? Wil dat dan zeggen dat ze ook al zijn vrienden over zich heen moet laten gaan?' 'Waarom gebeurt dat nu nooit met mij?', zegt Ouahiba. Over één ding zijn de vriendinnen het roerend eens: de mensen van Ni Putes Ni Soumises ('Noch hoer, noch onderworpen') zijn agitatoren die meer kwaad dan goed doen. Ze zetten de jongens en meisjes van de banlieue tegen elkaar op, en ze hangen een al te negatief beeld van de banlieue op.

Levend verbrand

Neila Kahla (27) en Kamel Ben Mouhoub (30) moeten het dag in dag uit aanhoren. Neila en Kamel zijn vrijwilligers van Ni Putes Ni Soumises, een organisatie die het licht zag in 2003, na een reeks betogingen van Franse vrouwen 'tegen de getto's en voor de gelijkheid'. Aanleiding was toen de dood van Sohane Benziane, een 17-jarig meisje dat levend verbrand werd door een groep jongens in de kelder van een torenflat. 'In de banlieue worden we gezien als verraders, zelfs als we zelf van Noord-Afrikaanse afkomst zijn', zegt Kamel. 'Ik heb alles moeten horen: collaborateur, jood, harki...' (De harki's waren de Algerijnen die tijdens de oorlog meevochten met de Fransen.) 'Men zegt dat wij de banlieue in een slecht daglicht stellen', zegt Neila, 'maar wij verzinnen toch niets? Het geweld in de banlieue valt niet te ontkennen.'

Neila en Kamel hebben een punt. Tijdens ons verblijf van twee maanden in Les Minguettes horen we over drie tournantes in de omgeving. Eind december werd een jonge vrouw gekidnapt op de terugweg van de Carrefour-supermarkt in Vénissieux en vijf uur lang verkracht in een huis in de buurt. Begin februari stond in de plaatselijke krant het relaas van een 15-jarig meisje dat de hele maand december collectief was verkracht door een groep jongens van dezelfde leeftijd. Een derde incident was geen verkrachting maar de kidnapping en foltering van een meisje door een groep van twee jongens en twee meisjes.

'De vraag van de dag is: denken jullie dat meisjes het leuk vinden om seks te hebben met vijf, zes jongens tegelijk in een trappenhuis of in de kelder van een toren?'

De scholieren van de tweede klas mechanisch onderhoud van het Lycée Marc Seguin gnif- felen zoals 15- en 16-jarige jongens dat doen wanneer ze over seks praten. Maar het gespreksonderwerp komt zelden ter sprake in het officiële curriculum. Precies daarom heeft de schooldirectie aan Ni Putes Ni Soumises gevraagd om een week lang met de scholieren over seks te komen praten.

De antwoorden van de jongens voldoen geheel aan de verwachtingen. 'Als zij met die jongens meegaat, dan wil dat toch zeggen dat ze het leuk vindt?', zegt iemand. 'Als ze niet wil, waarom zegt ze dat dan niet gewoon in plaats van achteraf bij jullie te gaan klagen?', zegt een andere leerling. En: 'Het zijn allemaal verzinsels.'

Of ze wel eens op stap gaan met meisjes uit hun buurt, willen de npns-vrijwilligers weten. Er volgt een luid gejoel. 'Natuurlijk niet, want ik ken haar broers. Dat is een kwestie van respect.' En wat gebeurt er dan als jullie je zus met een jongen zien? 'Ik sla haar verrot', zegt Cédric, een jongen van Vietnamese afkomst. Hij balt zijn vuist: 'Zo regelen wij dat hier.' 'Zolang ik ze niet uit een kelder zie komen doet ze haar zin maar', relativeert Mohammed, 'maar een kelder? Ik vermoord haar.'

De vrijwilligers proberen moedig het idee ingang te doen vinden dat 'elk meisje wel de zus van iemand is', en of meisjes uit andere buurten dan niet hetzelfde respect verdienen. Cédric is niet overtuigd: 'En wat dan als ze geen broers heeft?'

Dan spelen de vrouwen hun troefkaart uit: het verhaal van een jongen die had meegedaan aan een collectieve verkrachting in een donkere kelder. 'Pas toen hij achteraf het licht aandeed, zag hij dat het zijn eigen zus was.' Het heeft veel weg van een stadslegende maar het verhaal mist zijn effect niet. Het blijft even stil in de klas.

Beurgeoise

Lumia Rahmuni en Ouahiba Mouchmouche zijn nooit het slachtoffer geweest van een groepsverkrachting. Daarvoor hadden ze een veel te grote bek toen ze in Les Minguettes opgroeiden. Ouahiba was een mislukte jongen: zij sloeg haar broers in plaats van omgekeerd. En ook Lumia, zo verzekert Ouahiba, was 'une vraie peste', het soort meisje dat altijd de grootste mond had in de klas en problemen maakte met iedereen.

Lumia en Ouahiba hebben elkaar pas kort geleden teruggevonden, na een lange periode waarin ze elkaar niet zagen. In de tussentijd zijn hun levens totaal uiteen gaan lopen. Lumia is doctorandus in de rechten geworden. Ze geeft les aan de universiteit van Lyon 2, en overweegt een carrière in de internationale diplomatie. Ouahiba is in haar banlieue achtergebleven; ze heeft geen diploma en geen werk. Maar het had net zo goed andersom kunnen zijn, zegt Lumia.

Ze herinnert het zich nog precies: de dag waarop ze besefte dat de wereld van de banlieue niet meer de hare was. 'Ik kwam van mijn nieuwe school in Lyon, en op het station van Vénissieux kwam ik mijn vriendinnen uit de wijk tegen. Ik sprak hen aan zoals altijd, op de manier van de banlieue. Maar ik was vergeten hoe ik eruit zag: ik droeg een blazer, een plooirokje en een bloes.' Het was de look van een prille beurgeoise (beur + bourgeoise, een geringschattende term waarmee de banlieue mensen aanduidt die het gemaakt hebben). Lumia's vriendinnen lagen dubbel van het lachen. Ze riepen: 'Olalala! La goironne!' (een scheldwoord voor blanke Fransen). Een van de vriendinnen was Ouahiba.

Als het van de directie van het Jacques Brel-lyceum had afgehangen, dan was Lumia een typisch wegwerpproduct van de banlieue geweest: voorbestemd om vroeg en ongelukkig te trouwen - alles om het ouderlijk huis uit te komen - zonder diploma en met een loopbaan als poetsvrouw als enig toekomstperspectief. Dat was het vonnis dat de maatschappij over haar had uitgesproken toen op haar schoolrapport als toekomstperspectief vie active werd genoteerd, het beroepsleven.

Maar de directie rekende buiten Lumia's moeder. Dit was niet waarvoor de familie destijds naar Frankrijk was geëmigreerd. 'Mijn moeder heeft dat niet willen aanvaarden. Ze heeft een onderhoud gevraagd met de directeur en geëist mijn dossier te mogen inkijken. Mijn moeder, die op haar elfde van school moest en zichzelf pas op haar dertigste heeft leren lezen, heeft dat allemaal heel aandachtig bestudeerd. Toen heeft ze een beslissing genomen: ik werd naar de nonnetjes in Lyon gestuurd, een privéschool. En de nonnetjes hebben gedaan gekregen wat niemand voor mogelijk hield: ze hebben mij geleerd van de school te houden.'

Obstakels

De banlieue, zegt Lumia, plaatst obstakels op je weg, maar ze geeft je ook kracht. 'Uit de banlieue komen betekent dat je minder faciliteiten hebt. Het is moeilijker om goede punten te halen, een baan of een woning te vinden, om mensen tegen te komen die je kunnen helpen om vooruit te komen in het leven. Zelfs als je een diploma hebt, zullen ze altijd nog meer van je verwachten dan van iemand anders. Dat houdt nooit op: ook nu heb ik nog het gevoel dat ik altijd net iets beter moet zijn. Er wordt verwacht dat je onberispelijk bent op een manier die van een Jean-Louis niet wordt verwacht.

'Maar de banlieue maakt je ook sterk.

Tijdens mijn studie waren we met vier immigranten. Ik vroeg eens aan de pater die verantwoordelijk was voor de rechtenstudenten of ik een leeszaaltje mocht gebruiken om mij op een examen voor te bereiden. Hij weigerde dat keihard. Toen ik er nog over aan het discussiëren was, kwam er een Frans meisje binnen die vroeg of ze zijn schoolbord mocht lenen. Dat was geen enkel probleem.

'Het was niet de eerste keer: telkens als de examens in aantocht waren, zei die pater tegen ons, de migrantenmeisjes, dat hij ons wel zou terugzien bij de herkansing. Ik voelde echt haat voor die man. Op zo'n moment wil je reageren op de manier van de banlieue. Maar ik wist dat dat zich alleen tegen mij zou keren; dat was wat hij wilde. Ik moest die haat tot iets positiefs ombuigen. Dus ben ik keihard gaan studeren voor dat examen en heb ik goede punten gehaald. Ik ben teruggegaan naar die pater en ik heb hem gezegd: ” Ziet u, père Bouzy, hoe meer obstakels u op mijn weg plaatst, hoe beter ik het ga doen. Ik ben u dankbaar.ö Sindsdien zeiden we telkens als we aan een examen begonnen tegen elkaar: On va baiser le père Bouzy. (We gaan pater Bouzy neuken.) Zijn discriminatie heeft ons kracht gegeven.'

Ghetto super classe

In een ideale wereld zou Lumia Rahmuni een rolmodel moeten zijn voor de banlieue, ghetto super classe, zoals men hier zegt. Maar voor de jongens van de banlieue, zo wil het cliché, is het rolmodel nog al te vaak Tony Montana, de hoofdpersoon van de Brian de Palma-film Scarface. Montana is een Cubaanse immigrant in Miami die eerst eerlijk aan de bak probeert te komen door hamburgers te verkopen, maar dan besluit een kortere route te nemen en een succesvol drugsdealer wordt. Zijn motto: 'When you get the money, you get the power; when you get the power, you get the woman.'

Tony Montana is pas echt ghetto super classe, zoals blijkt uit de talrijke verwijzingen naar Scarface in de Franse rapmuziek. Maar er is een ontwikkeling gaande. In 1995 zong Ministère Amer nog 'Le monde est à moi / je suis Tony Montana' (De wereld ligt aan mijn voeten / ik ben Tony Montana). Maar in 2001 zong de rapper Disiz la Peste: 'Rien à foutre de Tony Montana / Je préfère Amélie Poulain.' (Niks te maken met Tony Montana / geef mij maar Amélie Poulain).

Er zijn de laatste jaren ook positievere rolmodellen gekomen: de stand up comedians

Djamel Debouzze en Gad Elmaleh, de voetballer Zinedine Zidane, de modeontwerper Mohamed Dia die internationaal doorbrak met de streetwear uit de banlieue. Maar met dat soort rolmodellen schieten we weinig op, zegt Djamel Ladghem, die in Les Minguettes voor de Mission Locale werkt, een dienst die probleemjongeren op het rechte pad probeert te krijgen. 'Integendeel. Zoals voor de blacks in Amerika zijn sport en cultuur op het moment zowat de enige sectoren waar een jongen uit de banlieue het kan maken', zegt Ladghem. 'En dus wil iedereen de volgende Zidane worden. Les jeunes iái se shootent au sport. Maar de kans dat zo'n jongen inderdaad een stervoetballer wordt, is bijzonder klein. En zodra hij dat beseft, is de desillussie enorm.'

Nee, dan is de kans groter dat je eindigt zoals Pierre Bafunta. Bafunta, 33, van Congolese afkomst, behoort tot het legertje van animateurs de quartier - straathoekwerkers - die de afgelopen decennia massaal zijn ingezet in het kader van de Politique de la Ville, het Franse stadsbeleid. 'Wij waren de zekering die de kortsluiting moest voorkomen', zegt Bafunta. Aanvankelijk leek het een mirakeloplossing. Je benadert de tieners, en je creëert meteen werkgelegenheid voor de twintigers. Maar het systeem lijkt zichzelf te hebben overleefd.

'Ik heb het gevoel dat ik de slaaf ben van een systeem. En ik ben niet alleen: er is een enorme turnover in de sector. Mensen willen geen straathoekwerker meer worden.' Bafunta zelf is een opleiding gaan volgen om aan het straathoekwerk te ontsnappen. Hij gelooft er niet meer in. 'Ik heb niet meer de indruk dat wij bezig zijn de jongeren op te leiden. Wij dienen alleen om de jongeren te kalmeren. Het enige wat van ons verwacht wordt, is dat we ze zoveel mogelijk bezighouden zodat ze niet voor problemen zorgen. Men heeft ons gebruikt.'

De jongeren zelf haken ook af: de jeugdwerkers van het buurthuis van Les Minguettes doen hun best, maar ze moeten toegeven dat er hooguit 150 jongeren regelmatig langskomen op een totaal van zo'n 2.500 jongeren onder de 25 jaar. Advocate Myriam Matari heeft onlangs een studiereis gemaakt naar Palestina, en ze ziet overeenkomsten tussen de banlieue-jongeren en de Palestijnse jongeren. 'In zekere zin voelen alle jongens in de banlieue zich Palestijnen. Ze identificeren zich met die slachtofferrol. Palestijnse jongeren verwerpen de internationale bemiddelingspogingen, het vredesproces, zoals de jongeren in de banlieue de sociale hulpverlening afwijzen. Omdat het volgens hen toch allemaal niets uithaalt. Het gevaar is dan dat deze jongens worden gerecruteerd door het moslimfundamentalsime.'

Salafist in de badkamer

Aan tafel bij de familie Mouchmouche is het gespreksonderwerp de trekking van de EuroMillions-loten. Er is al sinds november geen winnaar meer geweest en iedereen is druk aan het fantaseren over de megapot van 189 miljoen euro. 'Hé, Saïd!', roept Ouahiba Mouchmouche (33) naar de andere kamer, waar een jongen met een baardje aan het plamuren is, 'wat zou jij doen met die 189 miljoen euro?

Ha nee, jij mag helemaal niet meedoen aan de loterij. Dat is tegen de religie.' Saïd laat zich niet kennen. 'Ik zou het allemaal aan Osama bin Laden schenken! Dat spreekt voor zich', roept hij terug.

Een paar dagen eerder had Ouahiba, onze gids in de wijk, ons enthousiast opgebeld. 'Ik heb een salafist gevonden voor jullie! Bij mijn moeder thuis! In de badkamer!' Ouahiba had hem prompt aan een verhoor onderworpen. Wat dat nu eigenlijk wilde zeggen: salafisme? Saïd had het haar met plezier uitgelegd. Want een goeie salafist laat geen gelegenheid onbenut om een broeder of zuster te herinneren aan zijn of haar plichten als gelovige. In islamitische kring staat dit bekend als een rappel, en dankzij zo'n rappel had Saïd zelf drie jaar geleden het rechte pad gevonden.

'Het is echt van de ene dag op de andere gebeurd', vertelt Saïd (23, niet zijn echte naam) enkele dagen later. 'We waren met een hele groep op weg naar een feest, en er was niet genoeg plaats in de auto. Ik moest wachten tot de auto terugkeerde. Ik ging op een bankje zitten.'

Daar werd Saïd aangesproken door twee oudere jongens. 'Het waren jongens die ik kende van vroeger. Zij hadden dezelfde weg afgelegd als ik. Ze hadden stommiteiten uitgehaald. Maar met de tijd waren ze wijzer geworden. Ze vertelden mij dat we niet op aarde zijn om ons te amuseren maar om zoveel mogelijk goede daden te verrichten om straks toegelaten te worden tot het paradijs. Dat we daar niet eeuwig de tijd voor hebben, omdat de dood op ieder moment kan komen.'

Het was niet de eerste keer dat Saïd een rappel kreeg, maar deze keer deed het hem iets. Vooral dat de dood op elk moment kan komen had hem geraakt. 'Ik weet niet waarom, maar toen de auto terugkwam, ben ik niet meegegaan. Ik ben gaan slapen. De volgende dag kwam ik op straat een van de jongens tegen die mij de vorige avond had aangesproken. Hij ging net naar de moskee en vroeg of ik meeging.' En dat was dat: 'Ik heb niet meer omgekeken. Sinds die dag heb ik de religie niet meer losgelaten.'

Saïds familie was opgetogen over zijn bekering, zegt hij, 'want tot die dag was ik altijd een probleemjongere geweest.' Hij gaat liever niet in op dat vorige leven. 'Laten we zeggen dat ik een typische banlieuejongen was. Een strafblad had ik niet maar er waren arrestaties voor beschadiging van voertuigen en dat soort dingen. Je leeft dat soort leven en je doet wat nodig is om het mogelijk te maken.' Zelfs de vrienden die hij in dat vorige leven achterliet, feliciteren hem nu. 'Zij willen zelf ook religieus worden, maar ze zijn er nog niet klaar voor.'

Maar het leven van een salafist in Frankrijk gaat niet over rozen. Salafisten leven naar de woorden van de profeet Mohammed, zonder enige interpretatie of aanpassing aan de moderne samenleving. Saïd heeft het getroffen met zijn baas, zelf van Frans-Algerijnse afkomst, die hem alle tijd geeft om zijn gebeden te doen. Maar niet iedereen heeft zoveel mazzel. En dan zijn er de beperkingen die de salafisten zichzelf opleggen: zo mag een goede moslim bijvoorbeeld wel met een vrachtwagen rijden, maar hij mag geen alcohol vervoeren of vlees dat niet halal is. De werkgever die daar rekening mee houdt, moet wel erg veel begrip hebben. En dus doet Saïd af en toe toch wat water bij de wijn. Zo zou hij strikt genomen helemaal niet bij de familie Mouchmouche mogen werken, waar de vrouwen ongesluierd zijn. 'Maar ik weet dat ik in mijn hart geen lustgevoelens koester.'

Dating-markt

Saïd is nog vrijgezel maar als het van hem afhangt, gaat dat niet lang meer duren. Maar een salafist heeft het niet makkelijk op de dating-markt. Saïd telt af op zijn vingers:

'Een sji'itische vrouw is uitgesloten want dat zijn geen echte moslims.' En een vrouw die naar discotheken gaat om de mannen te verleiden is helemaal uitgesloten. Saïds keuze is beperkt. Toch heeft hij twee vrouwen op het oog die mogelijk geschikt zijn, zegt hij, eentje in Frankrijk en een andere in Algerije. 'Ik heb nog geen beslissing genomen.'

De vraag of zijn vrouw mag werken, bestaat voor Saïd niet. 'Als ik trouw, zal het met iemand zijn die het salafisme aanhangt. Die weet automatisch dat dat niet hoort. Zij weet dat ze thuis moet zijn om te zorgen voor haar kinderen en haar man.'

Op de lange termijn, zo geeft Saïd toe, is het onhoudbaar om als salafist in Frankrijk te wonen. 'Want wie zich op de dag van het laatste oordeel niet op islamitische grond bevindt, die heeft eigenlijk zijn religieuze plicht verzaakt.' De dag na ons gesprek vertrekt Saïd au bled, naar het dorp. Hij maakt van de krokusvakantie gebruik om in Algerije te gaan uitrusten, en zijn zoektocht naar de ideale vrouw voort te zetten.

Saïd maakte een grapje toen hij zei dat hij zijn loterijwinst aan Osama Bin Laden zou schenken. Maar ten minste twee jongens uit Les Minguettes hebben Bin Laden in levenden lijve ontmoet. Mourad Benchellali (24) en Nizar Sassi (26) zijn twee van de zeven Franse staatsburgers die door de Amerikanen in de gevangenis van Guantánamo Bay werden opgesloten. In januari werden ze vrijgelaten, na 34 maanden in Guantánamo, waar ze zeggen gefolterd te zijn, en nog eens achttien maanden in een Franse cel.

Mourad Benchellali houdt vol dat het nooit zijn bedoeling was zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie, en advocaat Jaqcues Debray gelooft zijn cliënt. Sterker nog: toen de twee jongens in het Al Qaeda-trainingskamp van Kandahar Bin Laden ontmoetten, wisten ze niet eens wie dat was. 'Het is niet gegaan zoals ze gedacht hadden. Ze wilden met eigen ogen zien hoe de islam werd beleefd in een land als Afghanistan', zegt Debray. 'En er was een zekere hang naar avontuur. Vergeet niet dat dit jongens van negentien zijn.'

De familienaam Benchellali doet bij de Franse politiediensten allerlei alarmbelletjes rinkelen. Vader Chellali Benchellali werd in 1993 al eens gearresteerd door de Kroaten, die hem ervan verdachten een mujahedeen te zijn. Mourads oudere broer Menad, die hem ervan overtuigde naar Afghanistan te gaan, zit in een Franse gevangenis. De politie verdenkt Menad ervan dat hij aanslagen beraamde in Frankrijk. In de badkamer van zijn ouders in Les Minguettes zou hij geprobeerd hebben de gifstoffen ricine en botuline aan te maken, met de hulp van Mourad Merabet, een plaatselijke apotheker en directeur van de grootste gebedszaal van Vénissieux, de zogeheten 'urssaf-moskee'.

Tot begin 2004, toen de politie bijna de hele familie Benchellali tijdelijk achter de tralies zette, had vader Benchellali zelf een klein gebedszaaltje onderaan zijn woontoren aan de Boulevard Lénine. Dat moskeetje is inmiddels gesloten, sinds burgemeester André Gérin de strijd heeft aangebonden met de islam des caves, de islam in de kelders. Gérin droomt nu van een heuse grote moskee in Vénissieux, waar de overheid meer zicht zou hebben op de inhoud van de preken. Maar het voorspelt weinig goeds dat de persoon die lange tijd genoemd werd als de imam voor de moskee niemand minder was dan apotheker Merabet.

Elvis met hoofddoek

Op vrijdag is het bij het gebedszaaltje in de wijk LaGrange in Lyon altijd een drukte van jewelste. De mannen bidden buiten, op tapijtjes die ze op straat uitrollen. Alleen de vrouwen en de bejaarden mogen binnen bidden, in het gemeentelijk lokaaltje dat door Nassira Balhi wordt uitgebaat.

Nassira Balhi (42) draagt haar hoofddoek als een bandana waardoor ze er een beetje uitziet als een Cubaanse vrijheidsstrijdster. Zij combineert haar islamitisch geloof met een diepe affectie voor Elvis Presley. Toen ze twintig was, reisde ze helemaal naar Memphis om zijn graf te bezoeken. Haar 20-jarige dochter heet Lisa, naar Presleys dochter Lisa-Marie. Lisa is een mooi blond meisje met een piercing in haar navel die ze graag bloot laat als ze op stap gaat. Bidden doet ze alleen nog op vrijdag. Nassira heeft daar geen problemen mee. 'Ik geloof niet in dwang.'

Nassira heeft de afgelopen jaren met verbazing waargenomen hoe religie opnieuw in de mode raakte in de banlieue. 'Toen ik in 1991 met deze gebedszaal begon, was ik alleen met twee mama's. Het zou me moeite hebben gekost om in de hele wijk ook maar één geheel gesluierde vrouw te vinden. Nu moeten het er zo'n vijfhonderd zijn.' Ze begrijpt het wel. 'Ze willen ermee laten zien dat zij bestaan. Maar als je ziet dat sommige vrouwen van top tot teen in het zwart gehuld zijn... Dat is pure provocatie, dat is gericht tegen de overheid.'

Elke maandag organiseert Nassira hier een bijeenkomst van mama's die ze de groupe du lundi, de maandaggroep heeft genoemd. 'Het zijn allemaal vrouwen zoals ik. Ze dragen de hoofddoek maar ze zijn ook strijdvaardig; ze willen zich niet de wet laten voorschrijven door de terroristen. Ze stellen vooral veel vragen omdat ze niet meer snappen wat mag en wat niet. Dáárover discussiëren wij. Is het waar als men zegt dat dit of dat verboden is? Staat dat echt in de koran? Want vandaag de dag wil men ons van alles en nog wat verbieden. Er zijn plekken waar gepreekt wordt dat vrouwen geen auto mogen rijden. Wij vrouwen hadden enorme vooruitgang geboekt de laatste decennia, en nu wil men ons terug in de onderdanigheid dwingen. Men wil dat we gaan leven zoals in Saoedi-Arabië.'

Geen IKEA

Allah moet soms vreemd opkijken van al die mensen uit de banlieue die hem de laatste tijd opnieuw komen opzoeken. Want laten we wel wezen: niet iedereen die de religie herontdekt, wordt een salafist of een terrorist. Op de een of andere manier is iedereen in de banlieue wel met religie bezig. Zelfs Lumia en Ouahiba die, na een avondje uit waarin ze hebben gepraat over masturbatietechnieken, de vraag of banlieue-jongens betere minnaars zijn dan Franse jongens, en of het een goed idee is om coke te snuiven voor een examen, zonder veel omhaal gebedsboeken uitwisselen. Lumia geeft toe dat het een beetje raar is dat ze soms gaat bidden na het roken van een joint. 'Ik weet dat dat niet mag. Maar ik zeg dat ook: sorry god dat ik een beetje stoned ben. Maar ik doe mijn best: ik ben al gestopt met drinken, straks volgt de sigaret en dan de jointjes. Eén ondeugd per keer.'

Maar dit is niet het soort godsdienstbeleving waar Malika Matari (39), sociaal werkster en de zus van advocate Myriam, zich over opwindt. Onderaan haar toren in de Piramidewijk hebben de salafisten een lokaaltje van de plantsoenendienst ingepalmd dat al langer dienst doet als gebedszaal. Vroeger was het gematigd, tot de salafisten er een mini-coup pleegden en een nieuw slot op de deur zetten. Nu komt het voor dat de salafisten voor haar voeten spuwen als Malika, die geen hoofddoek draagt, haar toren verlaat.

De zussen Matari zijn - een beetje onkarakteristiek voor een Algerijns migrantengezin - niet in de banlieue maar in een dorpje in de buurt opgegroeid. Als Malika vandaag in een toren in de banlieue woont, is dat een bewuste keuze want met haar salaris als sociaal assistent in de buurgemeente Feyzin zou ze zich ook een appartement in Lyon kunnen veroorloven, zoals haar zus Myriam. 'Maar als iedereen die een beetje slaagt in het leven hier wegtrekt, blijft er straks alleen doffe ellende over. Plus, men denkt dat de banlieue zo'n vreselijke plaats is om te wonen. Maar als je een goeie baan hebt, kan je hier goed wonen. Ruim en goedkoop, met veel groen.'

Goed, er zijn ongemakken. Ikea levert niet aan huis in Les Minguettes. In de zomermaanden zijn er de rodeo's met gestolen auto's die aan het eind in brand gestoken worden onderaan haar toren. Maar sinds het gemeentebestuur paaltjes heeft gezet rond het grasperk zijn de rodeo's naar andere oorden vertrokken. En op het probleem van de hangjongeren is in haar toren iets gevonden: de hangplek is vervangen door een jungle van plastic planten. Haar dokter is uit de wijk weggetrokken omdat hij het beu was om alleen maar anti-depressiva voor te schrijven. Eind februari was er een betoging van dokters en tandartsen die protesteerden tegen een nieuwe misdaadtrend: overvallen op dokterspraktijken waarbij zowel de artsen als de patiënten van hun geld worden beroofd.

En het is ook knap vervelend als de buurtjongeren weer eens een bus hebben bekogeld, en de bestuurders uit protest in staking zijn gegaan. Dan moet Malika, samen met duizenden andere bewoners van Les Minguettes, te voet van het station naar huis. Het is een flinke wandeling en bovendien bergop.

'Op zo'n moment háát je die jongeren uit de grond van je hart. Je zou er bijna van op het Front National gaan stemmen.' (Dertig procent van de kiezers in Vénissieux hebben dat tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen ook gedaan.)

Maar waar Malika echt kwaad van wordt, dat is van de mensen die erop uit lijken te zijn om van haar banlieue een islamitische republiek te maken. 'Twee jaar geleden hebben de winkeliers in mijn buurt plotseling besloten dat ze de zaak sloten voor de ramadan. Daar sta je dan zonder eten en sigaretten.' Malika ziet haar geliefde banlieuewereld steeds kleiner worden. De pizzatent in de buurt laat ze links liggen omdat die vol met salafisten zit. 'Ik heb geen zin om het internationaal terrorisme te financieren.' En ze is ermee opgehouden mannen uit de buurt met een kus te begroeten 'omdat er zoveel zijn die zeggen dat ze dat niet meer doen omwille van de religie.'

Het enige waar ze nog kwader van wordt, is van haar zus. Myriam is principieel gekant tegen mensen zoals Malika, die zeggen dat het nog zo slecht niet is in de banlieue. En ze heeft haar twijfels over het sociaal werk dat haar zus doet. 'Dat is een slaapmiddel. De banlieue is iets waar je tegen moet vechten, niets iets wat je moet proberen in stand te houden.' Het is dat ze advocate is, zegt ze vurig, 'anders zou ik meehelpen met auto's in brand te steken.'

Djamel Attalah vertoeft dezer dagen voor het eerst sinds lange tijd weer regelmatig in Vénissieux. Hij wil zich hier kandidaat stellen voor de volgende gemeenteraadsverkiezingen. Hij heeft de droom van 1983 nog niet opgegeven: dat de migranten uit de vroegere Franse kolonies ooit volwaardige Franse staatsburgers zullen worden. Maar hij zal het zonder de stem van zijn neef Kadir moeten doen. 'Volgend jaar krijg ik stemrecht. Maar ik weet nu al dat ik niet ga stemmen. Het haalt toch allemaal niets uit.'

Gert van Langendonck is journalist. Hij schrijft regelmatig voor M.

Karim Ben Khelifa is fotograaf te Parijs.

[streamers]

Na de rellen van november vorig jaar zijn in heel Frankrijk 3.101 jongeren aangehouden. 422 van hen kregen een gevangenisstraf.

'Hoe moet Hitler zes miljoen joden verbrand hebben in ovens? Ik geloof dat niet.'

'Ik heb het gevoel dat ik een slaaf ben van een systeem. Wij dienen alleen om de jongeren te kalmeren.'

Juriste Lumia Rahmuni geeft toe dat het een beetje raar is dat ze soms een joint rookt voor ze gaat bidden.

Het leven van een salafist in Frankrijk gaat niet over rozen.

'Sommige vrouwen zijn van top tot teen in het zwart gehuld. Dat is pure provocatie.'