Waarheid is - meer niet een aantrekkelijke constructie

De waarheid is een begrip dat in de filosofie steeds minder populariteit geniet. Er wordt niet meer geloofd in de mogelijkheid van een objectief standpunt vanwaaruit wij de wereld zouden kennen. Toch kunnen wij niet zonder waarheid. Het is een menselijke behoefte.

Tekening Geert Setola Setola, Geert

Het is een gure novemberochtend in 1619, als de Franse filosoof en wiskundige René Descartes zich opsluit in zijn kamertje, de kachel opstookt en aan het mediteren slaat. Hoe kan ik er zeker van zijn dat iets echt waar is, wil Descartes weten. Om daar achter te komen, begint hij eerst maar eens aan alles te twijfelen. Mijn zintuigen bedriegen mij soms, peinst de filosoof. Misschien doen ze dat wel altijd. Wie zegt mij eigenlijk dat ik niet droom? Misschien is heel de buitenwereld wel een illusie, voorgespiegeld door een boosaardige demon.

Enzovoorts, tot Descartes bijna verdrinkt in een oceaan van twijfel. Maar dan duikt er in zijn hoofd een zekerheid op die als een rots overeind blijft, een gedachte waar geen speld tussen te krijgen is: Cogito ergo sum, ik zit te denken, dus ik moet er wel zijn.

Na deze eerste onbetwijfelbare waarheid is de rest een kwestie van uitwerken. Al mediterend vindt hij er nog een waarheid bij, even helder en duidelijk als de eerste, namelijk dat God bestaat. En als God bestaat, bedriegt hij mij niet en kan ik gerust vertrouwen op mijn zintuigen, meent Descartes. Dus moet ook de buitenwereld bestaan. Eind goed al goed, einde twijfelexperiment.

Descartes' redenering rammelt aan alle kanten - alleen al wegens de rol van het opperwezen waarvoor hij zo angstvallig een plekje gereserveerd houdt. Toch lees je in alle leerboeken dat met zijn methodische twijfel de moderne tijd begint. De timing is perfect, de cartesiaanse methode om waarheid en onzekerheid te scheiden beantwoordt aan een groeiende behoefte. Door de godsdienstoorlogen zijn de oude zekerheden waar middeleeuws-Aristotelische filosofen nog op vertrouwden, op losse schroeven gezet. De rol van wetenschappelijke kennis wordt steeds belangrijker. Heel in de verte begint de Verlichting gestalte te krijgen. Het is tijd voor iets nieuws. Zelf denken en je niet door autoriteiten laten betuttelen, op eigen kracht de waarheid vinden, dat zou een eeuw na Descartes de triomfantelijke leus zijn van de Verlichters.

Het rationalisme van Descartes wordt in de 18de eeuw aangevuld met het empirisme van de Schotse filosoof David Hume, die in plaats van het verstand de zintuiglijke waarneming als vertrekpunt neemt voor ware kennis. Maar het principe van 'zelf denken' blijft hetzelfde, de ooit zo vanzelfsprekende samenhang van geloof, traditie en autoriteit wordt definitief opzijgezet.

Voortaan laat de verlichte, moderne mens zich nog slechts leiden door de rede en de resultaten van empirisch wetenschappelijk onderzoek. Dankzij de ontdekking van de waarheid en de rationeel gefundeerde kennis is niet alleen intellectuele vooruitgang, maar bovendien een betere wereld mogelijk.

Sinds de moderniteit dragen filosofen hun steentje bij aan deze Verlichtingsdroom door een zorgvuldig onderzoek van de criteria van ons kennen, in dienst van de emancipatie van heel de mensheid.

Maar het enthousiasme voor het project van de waarheid lijkt verleden tijd. Sla een filosofisch woordenboek op, en het lemma 'waarheid' staat er flets en moedeloos bij.

Wat eens het hoogste doel was van de filosofie, is anno 2006 een eigenschap van proposities, die uitgedrukt worden in beweringen, aldus het lexicon. Beweringen zijn waar als ze corresponderen met de feiten, volgens een dominante waarheidstheorie. Volgens een andere theorie zijn ze waar als ze coherent zijn met een groter geheel van andere uitspraken, of als ze het resultaat zijn van een consensus binnen een wetenschappelijke gemeenschap.

Ook zijn er theorieën die waarheid helemaal geen eigenschap van iets vinden, maar een overbodig begrip, dat alleen maar leidt tot linguïstische verwarring. Waarheid is een instrument van de taal, zeggen pragmatistische filosofen, als we iets 'waar' noemen bedoelen we simpel dat het 'werkt'.

Zo is de waarheid een verzamelbak van veel verschillende dingen geworden en iedereen bedoelt er iets anders mee. Zinderende controverses levert dat niet op, hooguit technische discussies die alleen te volgen zijn voor academische filosofen.

Ook buiten de studeerkamer heeft de waarheid aan status ingeboet. De leugen is niet altijd verwerpelijk meer, de media en de politiek hangen ons van alles aan de neus. Nooit eerder in de geschiedenis werden er zoveel bewuste hele en halve onwaarheden ingezet als vandaag de dag, onthult de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt in On Bullshit (2005). In de huidige cultuur heeft zich een ongekende tolerantie ontwikkeld voor gelul, voor humbug, gedraai en leugentjes om bestwil. Politici weten dat de burgers er al bij voorbaat van uitgaan dat het onderscheid tussen waarheid en onwaarheid toch niet te maken is, en ze kiezen hun marges ruim. Wie herinnert zich nog die satellietfoto's van massavernietigingswapens, die Colin Powell indertijd liet zien in de algemene vergadering van de Verenigde Naties? Als er toch geen criteria meer zijn, gelooft iedereen maar waar hij zin in heeft. Werd Milosevic vermoord? Is er sprake van een broeikaseffect? Wordt het vogelgriepvirus inderdaad verspreid door trekvogels? Joost mag het weten, zegt de cynische burger, je komt er nooit achter. Het ligt er maar net aan wie je het vraagt.

Hoogste tijd voor een waarheidsoffensief, vindt Cambridge-filosoof Simon Blackburn. Wij leven in een tijdperk van grenzeloos relativisme en de toestand begint uit de hand te lopen, waarschuwt hij in zijn vorig jaar verschenen Truth: A Guide for the Perplexed. Als de waarheid door niemand meer serieus wordt genomen, gaan mensen vertrouwen op onzin. Astrologie en voodoo, Feng Shui en complottheorieën hebben de plaats ingenomen van wetenschap en gezond verstand. Het fundament van het Westen wankelt. De eer van de waarheid moet worden gered, het relativisme bestreden.

Nu is de strijd tegen het relativisme de laatste twintig jaar vooral een tijdverdrijf van rechtse Amerikanen geweest, die de westerse rationaliteit zien wegzinken in een postmodern moeras waar elke minderheidsgroep - zwart, lesbo, vrouw - een eigen waarheidsversie onderhoudt en de waarheid zelf als een exclusief witte, mannelijke mythe is afgeserveerd. Blackburn daarentegen vindt de situatie ernstig, omdat die geen mogelijkheid meer biedt voor een linkse stellingname. Hij gelooft dat linkse intellectuelen zichzelf tekortdoen door hun weigering om over de waarheid te praten. Terwijl de creationist George W. Bush en de diepgelovige Tony Blair met een beroep op universele waarden ten oorlog trekken, en hun handlangers systematisch bezig zijn met de constructie van een nieuwe historische werkelijkheid, heeft links geen ander alternatief dan stuurloos mee te dobberen met het politieke tij. Het relativisme heeft alle debat kapotgemaakt en in het morele vacuüm dat is ontstaan, slaan de spindoctors hun slag.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Het zou te gemakkelijk zijn om hier met de beschuldigende vinger te wijzen naar de fatale invloed van postmoderne professoren, vindt Blackburn. Het postmodernisme is een symptoom, de meest recente verschijningsvorm van een veel ouder conflict, dat terugvoert naar de wieg van de filosofie.

De eerste relativisten waren sofistische retorici in het oude Athene, die van universele waarheden op het gebied van kennis en rechtvaardigheid niets wilden weten. Zij vonden dat de mens de maat der dingen is en dat de veranderlijke natuur van de mens ook ons oordeel over de dingen relatief maakt. Tegenover dit vroege humanisme stelt Plato zijn sfeer van de eeuwige, onveranderlijke Ideeën. Sindsdien staan er in de filosofie twee partijen tegenover elkaar: platonisten en sofisten, universalisten en contextualisten, rationalisten en constructivisten, realisten versus relativisten - en telkens gaat het om de vraag of de waarheid absoluut is, of alleen maar relatief. Dat debat duurt nu 25 eeuwen en ergens onderweg zijn we de kluts kwijtgeraakt. Om helderheid te krijgen over de waarheid, zouden we de draad weer moeten oppakken, maar ja, waar moeten we beginnen?

Misschien bij de Duitse denker Friedrich Nietzsche. Want als iemand de waarheden van de westerse traditie aan diggelen heeft geslagen, dan was hij het. Waarheid, schreef Nietzsche ruim honderd jaar geleden, is een illusie die voor de menselijke soort onontbeerlijk is om te overleven. Er zijn geen feiten, er zijn alleen maar interpretaties. Nergens werkt het intellect zo leugenachtig als in de mens. Daar zijn bedrog, vleierij, liegen en bedriegen zo de regel dat je je haast niet kan voorstellen hoe een zuivere hang naar de waarheid ooit kon ontstaan. Mensen zijn diep gedompeld in droombeelden en illusies. Hun ogen glijden langs het oppervlak, hun gevoel leidt nergens tot waarheid, maar stelt zich tevreden met het opvangen van stimuli, ze spelen blindemannetje op de rug der dingen.

Nietzsches visie heeft een spoor van verwarring door de filosofie getrokken. Wat wil hij nu eigenlijk met zijn ontkenning van de waarheid? Zijn opvattingen lijken zich zo ver buiten elk debat te plaatsen, dat zijn positie hopeloos wordt. Want als er geen feiten zijn om onze uitspraken aan te toetsen, dan is er ook geen waarheid. En als er geen waarheid is, dan zijn er alleen interpretaties, of - zoals de omstreden denker ook wel zegt - perspectieven.

So far so good. Maar hoe zit het dan weer met de waarheid daar van? Maakt de uitspraak dat er alleen interpretaties zijn niet aanspraak op precies datgene wat ontkend wordt: namelijk op waarheid?

Voor Nietzsches critici is het al honderd jaar prijsschieten. Liberalen en marxisten hebben hem eendrachtig aan de schandpaal genageld als een proto-nazi, een intellectueel terrorist wiens denken in de jaren dertig van de vorige eeuw een reactionair irrationalisme aan de macht hielp, dat alle emancipatie in de kiem smoort. Analytici uit de taalfilosofische school zien hem nog altijd als een inconsistent warhoofd, een verdienstelijk leverancier van bumperstickers, maar verder niet serieus te nemen.

Toch heeft Nietzsche de 20ste eeuw moeiteloos overleefd. In de jaren zestig werd hij herontdekt als een anti-autoritaire criticus van de metafysica, die met zijn speelse paradoxen elk dogmatisme uit zijn voegen licht. En in de laatste decennia rees zijn ster tot ongekende hoogten als de godfather van het postmodernisme.

Nietzsche is inmiddels de invloedrijkste filosoof van de continentale traditie. In zijn voetspoor ontwikkelde zich een voornamelijk Franse filosofie, die zich dankbaar op zijn perspectivisme beroept. Filosofen als Foucault, Derrida, Baudrillard en Deleuze twijfelen net als Nietzsche aan een algemeen aanvaarde waarheid en geldigheid.

'Er is niets buiten de tekst', luidt de beruchte slogan van de poststructuralist Jacques Derrida. Wij hebben geen onafhankelijke toegang tot een voor-talige werkelijkheid. Onze waarheden zijn sociale en culturele constructies, ze worden niet gevonden maar gemaakt.

Als culturele mode mag het postmodernisme dan na 9/11 ten grave gedragen zijn, als filosofische stroming blijft het onverminderd invloedrijk. Die invloed beperkt zich niet tot de Amerikaanse humanities en de continentale filosofie. Ook in de theorie van de 'harde' wetenschappen is een postmodern, aan Nietzsche herinnerend constructivisme doorgedrongen. Het zijn bovendien niet langer louter Franse denkers die het wetenschappelijk waarheidsbegrip ondermijnen. Belangrijke Engelstalige filosofen als Wittgenstein, Quine, Davidson, Putnam en bovenal Richard Rorty, sommigen verbonden geweest aan prestigieuze Amerikaanse universiteiten, hebben eveneens argumenten ontwikkeld die het fundament ondermijnen van wat momenteel nog steeds de meest gezaghebbende bron van waarheid en kennis is, namelijk de natuurwetenschappen.

Richard Rorty publiceerde in 1979 zijn Philosophy and the Mirror of Nature met daarin een snoeiende kritiek op de waarheidsdiscussies sinds Descartes. Ware kennis laat zich niet analyseren als een correspondentie tussen een subjectieve 'binnenwereld' en een objectief 'buiten' die zich voltrekt in het medium van taal of denken, aldus Rorty. Niet alleen is de menselijke geest geen spiegel van de wereld, ook een beschrijving van de 'ware werkelijkheid' is onmogelijk. Het hele idee dat wij met onze geest tussen de taal en de werkelijkheid in zouden kunnen stappen, is gebaseerd op een misverstand. Er is geen 'God's eye view' (Putnam), geen standpunt voorbij subject en object van waaruit wij op een neutrale wijze de wereld kunnen kennen. Strikt genomen kunnen we niet vaststellen of 'de werkelijkheid' een uitspraak al dan niet 'waarmaakt'.

De cruciale filosofische vraag is dan ook niet of een uitspraak correspondeert met de feiten, maar onder welke voorwaarden men vindt dat een uitspraak met de feiten correspondeert. Wat is er aan de hand als we spreken van 'corresponderen', wat zijn de 'feiten', wie bepaalt of er sprake is van 'correspondentie'?

Zo gezien is kennis niet een exacte representatie van de buitenwereld, maar de uitdrukking van intersubjectieve overeenstemming binnen een historische gemeenschap. Waarheid is zoiets als een schouderklopje, zegt Rorty, dat we meegeven aan een uitspraak, omdat we er voordeel bij hebben. Ook wetenschappelijke waarheden worden niet ontdekt maar gemaakt - niet door het individu afzonderlijk, maar door de collectieve inspanning van velen.

Wat niet betekent dat er volgens Rorty geen 'objectieve onafhankelijke werkelijkheid' en geen 'wetenschappelijke vooruitgang' zouden bestaan. Rorty is geen irrationalist, hij ontkent alleen dat er een neutrale beschrijving van de werkelijkheid mogelijk is, en dat er voor vooruitgang logisch dwingende redenen gegeven zouden kunnen worden. Zulke veronderstellingen gaan uit van de oude schema's die horen bij de cartesiaanse metaforiek en binnen zijn pragmatische visie hebben termen als waarheid, wetenschap en vooruitgang een heel andere betekenis gekregen. De pragmatist hoeft zich dus niet aangesproken te voelen door het verwijt dat hij de waarheid niet loochenen kan zonder eerst stiekem te erkennen wat hij loochent. Hij ziet de waarheid als een resultaat van menselijke interactie met de wereld, niet als geprivilegieerde toegang tot de 'ware werkelijkheid' en die laatste visie op waarheid kan hij dus rustig ontkennen.

Dit soort opvattingen brengt Rorty tevens dicht bij het huidige antirealisme, een actuele stroming die wetenschappelijke theorieën als modellen ziet die niet waar of onwaar zijn, maar die wel een adequate voorspelling en verklaring van de verschijnselen geven. Ze verhouden zich tot de werkelijkheid zoals een kaart zich verhoudt tot een gebied. Kaarten zijn er in soorten, en met zo'n kaart kunnen we ons succesvol door de wereld bewegen. Je kunt geloven in het succes van wetenschap, zonder te hoeven geloven dat wetenschappelijke kaarten de onderliggende werkelijkheid exact weergeven zoals die is. Belangrijker is dat een theorie werkt, dat er voorspellingen uit af te leiden zijn die kloppen.

Als militante realisten desondanks willen volhouden dat de wereld 'eigenlijk' uit protonen, quarks en neutrino's bestaat in plaats van uit bijvoorbeeld kleuren, vormen en geuren, mogen ze dat best blijven doen. Ze moeten alleen bedenken dat er niet een enkele ware beschrijving van de wereld is, maar dat er meer voortreffelijke kaarten in omloop zijn, binnen en buiten de wetenschap.

Pluralisme is de erkenning dat er in het leven meerdere waarheden en diverse, ook incompatibele doeleinden naast elkaar kunnen bestaan, zonder dat die elkaar hoeven te bijten. De problemen beginnen pas als een daarvan zichzelf als uniek presenteert en alle andere de hoek in dringt. In plaats van de oude absolute waarheid te rehabiliteren, zoals Blackburn en andere waarheidszoekers willen, kunnen we haar dan ook maar beter aan hernieuwde kritische reflectie blootstellen, en laten zien dat het om een menselijke constructie gaat, die tegemoet komt aan typisch menselijke behoeften.

Zo wordt de humanistische Verlichtingstraditie voortgezet in een actuele 'Verlichting van de Verlichting', die het metafysische begrip 'waarheid' net zo vastberaden blijft seculariseren als indertijd het begrip 'God'.

Bijzonder hoogleraar Kunst en samenleving in humanistisch perspectief aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en docent filosofie aan de Universiteit van Maastricht.

    • Heleen Pott