Van spel tot ernst

'A good mathematical joke is better, and better mathematics, than a dozen mediocre papers', zei de Britse wiskundige John Endensor Littlewood ooit. Vanwege 1 april: 9 grappen die wetenschappelijk afliepen. Pek van Andel

Joseph Priestley.

Eén april is een dag om je in ernst af te vragen of speelse grappen ook een rol spelen bij de groei van kennis in wetenschap en techniek. Dat dat geldt voor wetenschap, schreef de Franse schrijver en literatuurwetenschapper Robert Escarpit al in 1969. Doelmatig wetenschappelijk denken is geholpen met oneerbiedigheid voor algemeen aanvaarde kennis, het establishment, en jezelf. De beste manier om dit te bereiken, zonder irrationeel te worden, is een scherp gevoel voor humor te ontwikkelen.

Een goede grap biedt vaak een andere kijk op dingen, een kostelijke tegenstelling of een belachelijke analogie. Onderzoekers ontstijgen aan gangbare opvattingen door een onderwerp op een frisse manier te benaderen. Gevoel voor humor blijft voor hen de beste garantie tegen kortzichtigheid en te veel respect voor de conventionele wijsheid van de dominante groep. Veel uitstekende onderzoekers hebben een levendig gevoel voor humor en zijn zelden plechtig.

Daar zijn overtuigende authentieke voorbeelden van. Van illusies (in-lusies, in-spelingen) die werkelijkheid werden: van Spielerei nebenbei tot Ernst im Spiel. Ik enumereer een greep uit grollen die werkelijkheid werden. Het wordt tijd dat NRC Handelsblad haar saaie taboe op één april grappen schrapt, want, zoals de historicus Johan Huizinga schreef in Homo Ludens: '[E]rnst tracht spel uit te sluiten, maar spel kan zeer wel de ernst in zich omsluiten.'

1934: paradoxale figuur

De Zweedse kunstenaar Oscar Reutersvärd (1915 - 2002) wordt wel 'de vader van de onmogelijke figuren' genoemd. In 1934, op de middelbare school, krabbelde hij bij een les in Latijn een zespuntige ster met een ring van zes kubussen eromheen. Hij tekende er drie kubussen bij en tot zijn verbazing werd het een onmogelijke driebalk.

1912: een spoorwegstation op de jungfrau

Op 1 april 1886 stond er in de Neue Zürcher Zeitung een grap van haar redacteur Frey: een Engelse firma had plannen om een weg op de Jungfrau aan te leggen, en een elektrische spoorlijn naar de Rottalhütte onder de bergtop. Voor de laatste 1.400 meter was een trap naar de punt gepland. De poets leidde drie jaar later tot drie plannen voor de aanleg van een spoorlijn op de Jungfrau, waarvan er niet één werd uitgevoerd.

Maar de Zwitserse industrieel Guyer-Zeller tekende in 1893 een plan, dat wel werd uitgevoerd. In 1898 werd het eerste station geopend, in 1905 het tweede en in 1912 was de lijn klaar tot het Jungfraujoch. Het Jungfrau-spoor is een elektrische tandrad-spoorweg vanaf de Kleine Scheidegg. Vanaf de Eiger-gletscher gaat de trein door een tunnel met vensters bij de haltes. Dit spoor naar het hoogste station in West-Europa functioneert nog.

1957: hartziekten bij apen

In 1957 onderzocht dr. Nicholas Werthessen in Texas zes bavianen - normaliter vegetariërs - omdat die aderverkalking kunnen krijgen die lijkt op die bij de mens. Toen hij op reis ging zei hij tegen de verzorger van de apen: Geef ze roomijs en cake!' Hij bedoelde, dat ze goed gevoerd moesten worden. Toen hij terug kwam ontdekte hij dat de bavianen echt ijs en cake hadden gekregen en het ook aten. Omdat ijs de smaak toedekt van het meeste voedsel gebruikte hij daarna roomijs om de apen wat dan ook te voeren om het effect van hun dieet op hun hartziekten te bestuderen.

1930-1931: chemoreceptor-orgaantjes in de halsslagader

De Belg Corneille Heymans, hoogleraar aan de universiteit van Gent, deed in 1930 en '31 dierproeven naar drukreceptor-reflexen bij een hond. Na afloop van een experiment herinnerde hij zich een credo van zijn vader, die aan dezelfde universiteit hoogleraar was geweest: Als aan het eind van een experiment met duidelijke resultaten het dier nog in een goede experimentele conditie is, probeer dan een fantasierijk of zelfs geestig experiment.'

Daarom besloot hij om (zwaar giftig) natriumcyanide in te spuiten in de halsslagaders van een hond. Van natriumcyanide was bekend dat het de ademhaling overmatig kon stimuleren. Men dacht toen dat dit direct inwerkte op het ademcentrum in de hersenen.

Heymans deed eerst de ene halsslagader, toen de andere. De ene slagader van de hond was namelijk nog intact, de andere was beroofd van zijn zenuwen. Tot zijn verbazing merkte de wetenschapper dat de stof alleen werkte via de intacte slagader. Hij bevestigde dit op andere - verse - honden. En zo ontdekte hij dat er een chemoreceptor-orgaantje in een halsslagader zit dat het bloed 'proeft' en de chemische samenstelling ervan aan de hersenen doorgeeft, en zo een rol speelt bij het regelen van de ademhaling. Heymans kreeg er in 1938 een Nobelprijs voor.

1842: warmte als beweging.

Ernst Mach, de Tsjechisch-Oostenrijkse fysicus-filosoof, beschreef in 1895 de volgende ontmoeting in Heidelberg, die decennia eerder moest hebben plaatsgevonden tussen de Duitse natuurkundigen Philipp von Jolly en Robert von Mayer. Von Mayer werkte in die tijd aan zijn theorie rond het mechanisch warmte-equivalent: het verband tussen warmte en arbeid (waar de Brit James Joule overigens veel beroemder mee is geworden).

Daar merkte Jolly gekscherend op, dat als Mayers theorie juist zou zijn, water warmer zou worden door het te schudden. Mayer vertrok zonder een woord te zeggen. Weken later kwam Mayer Jolly weer tegen en hij riep: Es ist so!' Het duurde enige tijd voordat Jolly begreep wat Mayer bedoelde.

1928: penicilline ontdekt

De latere Nobelprijs-winnaar Alexander Fleming was in 1928 bezig met een bacteriekweek met Staphylococcus aureus toen hij in zijn kweekschaaltje onberaamd de giftige werking ontdekte van wat hij later penicilline noemde. That's funny!', zei hij, toen hij zag dat rondom een penseelschimmel, die zich per ongeluk in de kweek had genesteld, de bacteriën er niet uitzagen als ondoorzichtige gele druppels, maar als dauwdruppels.

1774: zuurstof ontdekt

De achttiende-eeuwse Britse chemicus (en wetenschappelijk omnivoor) Joseph Priestley voegde regelmatig, als poets, twee willekeurige stoffen bij elkaar. Aldus vond hij tussen 1772 en '74 liefst zeven gassen: HCl, N2O, SO2, HF, NO, NO2 en O2.

jaren 70: brandwerend schuim

NF-2 is een Engelse afkorting voor een isolatieschuim voor de bouw, dat niet kan branden èn bij sterke verhitting geen giftige rook geeft. Toen het NF-2-verhaal begon, was Oscar van Leer president van Van Leers Vaten Fabrieken: Ik had gevraagd om een bepaald soort schuim voor verpakkingen. Ze kwamen bij me met iets. Ik vond het niks. 'Gooi het maar in het vuur', zei ik. Dat deden ze, letterlijk. Toen bleek dat het niet brandde en nauwelijks rookte. Is dàt dan misschien iets voor u, zeiden ze.' In 1981 was NF-2, gemaakt op basis van alcohol, een kleine afdeling bij Van Leer met twintig productiemedewerkers en twee verkopers die zich richtten op 'brandgevoelige markten' zoals zieken- en bejaardenhuizen, scholen en de horeca.

20 juli 1969: mensen op de maan

De Griekse satiricus Lucianus uit Samosata (120-180 n.Chr.), die uit Syrië kwam, parodieerde de reisliteratuur van zijn tijd met twee verhalen over een landing op de maan met zijn Ware geschiedenis en Icaromenippus. Kepler wijdde een boek aan een gedroomde tocht naar de maan (Somnium, 1634).

Poe beschreef in 1835 een ballonvaart die op 1 april van Rotterdam naar de maan ging en na vijf jaar daar terug kwam: The Unparalleled Adventure of One Hans Pfaall. Verne kwam in 1865 met De la Terre à la Lune. En Wells met The first men in the moon in 1901. Deze teksten zullen het avontuur van Neil Armstrong in 1969 mede mogelijk gemaakt hebben.