Tuchtrecht

Paul Schnabel besprak in uw krant mijn proefschrift (W&O 25 maart). Schnabel stelt dat daaruit niet kan worden afgeleid dat er te weinig klachten worden ingediend bij de tuchtcolleges. Echter uit het empirische onderzoek kan wel worden geconcludeerd dat burgers en inspectie voor de gezondheidszorg niet optimaal gebruik maken van hun mogelijkheid om tuchtklachten in te dienen. Bij burgers is de kennis over en hun vertrouwen in de tuchtrechtspraak beperkt. Zij dienen voorgelicht te worden over het doel en de inhoud van het tuchtrecht en de samenhang met andere klachtmogelijkheden. Bij de inspectie, die over een periode van 20 jaar in 2% van de gevallen als klager optrad, is het vooral een kwestie van prioriteitsstelling en zou men een actievere rol moeten spelen als klager.

Paul Schnabel heeft gelijk dat uit mijn onderzoek niet blijkt dat de kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg zo goed is dat er nauwelijks reden tot klagen is. Uit mijn proefschrift blijkt wel dat de tuchtrechtspraak een grotere bijdrage zou kunnen leveren aan kwaliteitsbewaking en -verbetering. Het hoge percentage ongegrondverklaringen leidt tot een beperkt aantal corrigerende maatregelen, minder kans op normontwikkeling en het kan bij burgers leiden tot minder vertrouwen in het tuchtrecht. Maatregelen die het percentage gegrondverklaringen kunnen doen toenemen zijn onder andere voorlichting aan burgers over de wijze waarop met een klacht indient en introductie van de mogelijkheid van gegrondverklaring zonder maatregel. Dit laatste zou mijn inziens alleen toegepast dienen te worden in situaties waarbij de aangeklaagde spijt heeft betuigd of zijn gedrag of organisatie van de praktijk heeft aangepast. Tot slot stel ik dat de preventieve werking van het tuchtrecht beperkt is door onder andere het geringe aantal publicaties. Er zou meer gepubliceerd moeten worden, met name in vaktijdschriften. Zo kunnen beroepsbeoefenaren hieruit hun lering trekken.