Religie kan in de waarheid wandelen

Gesprekken over godsdienst zijn hopeloos ingewikkeld. Niemand heeft de waarheid in pacht. De waarheid is niet in te blikken in een formule, een dogma, een belijdenis, je kunt God niet in een doosje doen.

Tekening Barbara Mulderink Mulderink, Barbara

Ik zat op een Hervormde school en ik bewaar daar de beste herinneringen aan. Op de piano stond de Jezus van Thorwaldsen, een lieve man in gips, hij leek op de Jezus van het schilderij ernaast, waar de grote kindervriend zich omringd had met een Chinees meisje, een negertje (zoals je toen nog rustig mocht zeggen), een eskimo en twee blanke kinderen. Waarmee ik maar wil zeggen, dat ik al vroeg leerde het ruim te zien.

Leermiddelen waren schaars in die dagen - het was tijdens de oorlog of kort erna - en wij moesten ons in die barre tijd behelpen met een gereformeerd geschiedenisboekje. Het conflict tussen Prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt en de strijd tussen de remonstranten en contraremonstranten (1618) werd ons keurig uit de doeken gedaan. Mijn moeder overhoorde mijn huiswerk: 'Wat leerden de remonstranten?' Ik lepelde het op. 'Wat leerden de contraremonstranten?' Ook dat kon ik reproduceren. 'En de contraremonstranten hadden gelijk', zei ik er achteraan. 'Hoe kom je daar bij?' vroeg mijn moeder, hogelijk verbaasd over deze stupiditeit. 'Dat staat er', zei ik. 'Dat kan niet', zei mijn moeder. Het stond er. Moeder zei dat je dat niet mag zeggen, dat de een gelijk heeft, de ander niet. 'Waarom niet?' vroeg ik. 'Omdat het over geloof gaat', zei moeder. 'Maar als juf nu vraagt wie er gelijk had, wat moet ik dan zeggen?' 'Dan moet je zeggen dat je dat niet weet.'

Wie ooit van zijn liefhebbende moeder leerde dat de contraremonstranten gelijk hadden, zal als regel een leven lang bij die moeder in de buurt blijven, en bij zichzelf, door uit de buurt van de remonstranten te blijven. Wij voelen ons doorgaans verbonden met het geloof van hen met wie wij ons verbonden voelen. Zo voel ik mij thuis in het geloof dat het in religiosis moeilijk valt uit te maken wie er gelijk heeft en dat dat er in wezen ook niet toe doet. Jezus heeft nu eenmaal vreemde kostgangers bij zich op schoot zitten.

Het Confessioneel Gereformeerd Beraad heeft de synode van mijn kerk gevraagd om mij publiekelijk te kapittelen, omdat ik het onfeilbaar Woord van God minacht, getuige mijn zojuist verschenen ketterse kinderbijbel Koning op een ezel. Ik leg daarin bijvoorbeeld uit dat Jezus niet echt over het water gewandeld heeft, maar dat het verhaal niettemin een diepzinnige waarheid vertelt. Dat is een inzicht dat al een eeuw oud is, maar voor deze gereformeerde broeders lijkt het nieuw en is het kennelijk bedreigend. Mijn kerk heeft geantwoord dat tuchtmaatregelen de positie van de kerk in de wereld eerder afbreken dan dat ze die opbouwen. Ik ben zo opgelucht!

Nog niet zolang geleden woonde ik een forumdiscussie bij over religieuze tolerantie. Er zat een orthodoxe rabbijn in dat forum en een 'contra-remonstrantse' predikant, lid van een groepering aan de rechterflank van mijn (PKN) kerk, De Gereformeerde Bond Tot Verbreiding en Verdediging Van De Waarheid. (Zo'n naam kan niet, hè moeder?). Beide heren waren even beschaafd als tolerant, maar aan enige dialoog hadden ze geen behoefte, ze hádden de waarheid al. Mij werd om commentaar gevraagd. Omdat ik met stomheid geslagen was, vertelde ik maar een witz uit een verhaal over Tevje de Melkman van de Jiddische schrijver Sjolom Aleichem. Tevjes buurman verkondigt een mening. 'Jij hebt gelijk', zegt Tevje. Zijn andere buurman beweert het tegenovergestelde. 'Jij hebt gelijk', zegt Tevje. 'Hoe kan dat nou!' hoont Tevjes vrouw. 'Zal ik jou eens wat vertellen', zegt Tevje, 'jij hebt ook gelijk.'

De godgeleerde heren achter de tafel konden er niet om lachen. Fanatieke gelovigen hebben meestal weinig gevoel voor humor. Hetzelfde geldt trouwens ook voor fanatieke ongelovigen.

Het heeft er alle schijn van dat een mal en absoluut waarheidsbegrip ook de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) parten heeft gespeeld. Ik zit in een kerkdienst om een dierbare dode uitgeleide te doen. Een joodse vriendin van mij is ook gekomen, ik zie haar zitten, twintig meter verderop. De predikant leest Johannes 1 voor in de NBV (nieuwe bijbelvertaling): De Wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. Ik geloof mijn oren niet, wend mijn hoofd onmiddellijk naar mijn joodse vriendin, zij zoekt mij. Haar blik is nauwelijks te beschrijven: 'Zit ik bedroefd in de kerk om iemand de laatste eer te bewijzen, wordt mij anno 2006 vanaf de kansel meegedeeld dat we de Tora aan Mozes danken, de goedheid en de waarheid daarentegen aan Jezus Christus. Het is dus weer het oude liedje. Sta jij hier achter, vriend? Ik wil hier weg.'

Thuisgekomen snel het Johannes-evangelie opgeslagen. Het is een redelijk cryptische passage, maar hoe dan ook: dat 'maar' staat niet in de tekst, de NBV creëert een linke tegenstelling die Johannes onmogelijk bedoeld kan hebben. Want die goedheid en waarheid, daar staat uitgerekend die Tora van Mozes vol van, dat begrippenpaar kom je er voortdurend tegen, Jezus heeft die goedheid en waarheid niet zelf uitgevonden, hij heeft ze uit zijn eigen joodse bijbel opgediept. Wij hebben 'genade op genade' ontvangen, zegt de evangelist in het voorafgaande vers. Met andere woorden: eerst ontvingen we de Tora van Mozes, daarna gaf Jezus de goedheid en waarheid gestalte waar het in die Tora om gaat. Voor Johannes staat Jezus zeker een treetje hoger dan Mozes, maar de NBV creëert een levensgevaarlijke tegenstelling, (je kunt ook zeggen: houdt de aloude kloof in stand), doet daarmee de evangelist onrecht en werpt een onnodig struikelblok op in het gesprek met de synagoge.

Voor de interreligieuze dialoog kan het intussen heilzaam zijn van Mozes te leren wat wij onder 'waarheid' moeten verstaan. De waarheid is naar joods besef niet los leverbaar, bestaat niet als een idee, los van de werkelijkheid. De waarheid moet eerder worden gerealiseerd en gehoorzaamd dan dat ze moet worden gekend en geleerd. In een forumdiscussie begin je er weinig mee. De sceptische vraag van stadhouder Pilatus aan het adres van Jezus: 'Wat is waarheid?' is onjoods van aard. Beter is het te vragen waar je de waarheid vindt, bij wie.

Een middeleeuwse monnik heeft op die vraag 'Wat is waarheid?', Quid est veritas?' een diepzinnig antwoord gegeven door wat met de letters te goochelen: 'Vir qui adest' : 'De man, de mens, die er is, die er bij is.' Onze monnik zal wel in de eerste plaats aan de mens Jezus gedacht hebben, maar als het goed is vervolgens ook aan ieder mens, geroepen om die goedheid en waarheid gestalte te geven. De waarheid moet worden gedaan, trouw (Martin Buber vertaalt het Hebreeuwse woord voor waarheid met Treue) moet blijken. In die zin moet de waarheidsvraag dus altijd worden gesteld. Maar de waarheid van het geloof is dus niet die van een leer die de kerk vaststelt (rooms-katholieke kerk) of die ons in de Heilige Schrift wordt aangereikt (kerken van de Reformatie), het is geen objectieve waarheid maar een existentiële waarheid. Nooit kan objectief worden vastgesteld dat het geloof 'gelijk' heeft, de waarheid kan slechts worden waargemaakt door erin te wandelen.

Voor de evangelist Johannes was Jezus bij uitstek zo'n wandelaar in de waarheid: 'Ik ben de waarheid.' Maarten 't Hart noemt Jezus vanwege die uitspraak 'een nare opschepper', maar dat komt omdat hij de tale Kanaäns niet verstaat. In de zeven 'Ik ben-woorden' die de evangelist Jezus in de mond legt, belijden de eerste christenen hun geloof. Zij zien Jezus als de waarheid, de betrouwbaarheid van God in persoon. In die waarheid willen ook zij wandelen: 'Laten wij liefhebben niet met woorden of met de tong, maar metterdaad en in waarheid.' (1 Joh 3: 18)

Niemand kan de waarheid in pacht hebben, de waarheid is niet in te blikken in een formule, een dogma, een belijdenis, je kunt God niet in een doosje doen. Wanneer wij zien hoe moeizaam de christelijke kerken (ondanks de Verlichting!) nu al eeuwen over de waarheidsvraag steggelen, zowel in eigen kring als in de dialoog met anderen, wanneer wij ook zien dater nauwelijks enig vruchtbaar gesprek tussen jodendom en christendom van de grond komt omdat de waarheidsvraag ook die, toch verwante gelovigen, verdeeld houdt, dan hoeven wij ons weinig illusies te maken over het nog veel ingewikkelder gesprek van jodendom en christendom met moslims, voor wie de waarheidspretentie eigenlijk onopgeefbaar is, willen zij hun zelfrespect behouden en hun wankele identiteit niet verliezen. De koran als het onfeilbaar woord uit den hoge zal nog jaren hun enige troost in leven en sterven blijven. Voor een gesprek waardoor iedereen kan groeien, zullen we nog minstens een eeuw moeten uittrekken.

Daarbij kan het geen kwaad een paar zaken in het oog te houden. Zoals gezegd, mensen voelen zich doorgaans verbonden met het geloof van hen met wie zij zich verbonden voelen. Dat impliceert dat mensen de hun aangereikte spiritualiteit pas zullen kunnen laten varen wanneer zij op enigerlei wijze een nieuwe geborgenheid hebben gevonden. Een ander ridiculiseren werkt averechts, wie verstandig is en hoffelijk houdt zich er verre van.

Zoekers naar waarheid kunnen andere waarheidszoekers verrijken. Theïsten en atheïsten die de waarheid in pacht hebben, zijn tot dialoog eigenlijk niet in staat, vijandig als zij staan ten opzichte van hen die de waarheid niet kennen of er een andere waarheid op nahouden. Blind geloof roept bij uitstek zijn tegenpool op: blind ongeloof.

Jarenlang predikant van de Westerkerk in Amsterdam. Van zijn hand verscheen onlangs de kinderbijbel 'Koning op een ezel. Verhalen uit het Nieuwe Testament'.

    • Nico ter Linden