Preventief ingrijpen bij kinderen helpt echt

Staatssecretaris Ross wil dat de jeugdzorg actiever optreedt: stel het belang van het kind centraal. Maar veel organisaties zien vooral hun eigen belang.

Wijkverpleegkundige Jeanne-Marie Oudshoorn zou de jonge moeder met twee dochtertjes die ze net thuis heeft bezocht, graag helpen. En daarmee de kinderen. De moeder vertoont symptomen van borderline, ze kan de opvoeding totaal niet aan. De kinderen hebben elk een andere vader, een er van hen zit in de gevangenis. Jeanne-Marie Oudshoorn: 'Als er niets gebeurt, kun je er gif op innemen dat het volkomen uit de hand loopt.'

Artsen en verpleegkundigen op consultatiebureaus kunnen na het eerste consult, vlak na de geboorte, redelijk inschatten of het kind harmonieus zal opgroeien of niet. En ze weten nog iets: als ze de ouders van de risicokinderen helpen, is de kans dat het goed gaat, behoorlijk groot.

Preventief ingrijpen helpt echt. Deskundigen zeggen het al jaren: volg kinderen nauwgezet van geboorte tot na de puberteit en pak problemen zo vroeg mogelijk aan. Met lichte, structurele hulp in het gezin. Die hulp moet snel beschikbaar zijn.

De Inventgroep, wetenschappers deskundig op het gebied van de jeugdzorg, zei het onlangs ook. Het bespaart kinderen veel ellende. Zo'n 80.000 kinderen worden mishandeld, zeker vijftig per jaar overleven dat niet.

Staatssecretaris Ross-van Dorp vindt de consultatiebureaus de ideale plek om problemen vroegtijdig op te sporen. De bureaus zouden niet alleen de lichamelijke voortgang van kinderen moeten volgen (gewicht, lengte), maar ook hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Tot aan het negentiende jaar.

De consultatiebureaus willen graag meer taken op zich nemen. 'Het zou heel logisch zijn', zegt Ineke Wulp, beleidsmedewerker jeugdgezondheidszorg in Utrecht. 'Ik begrijp niet waarom het zo lang duurt. Toen ik twintig jaar geleden begon in de jeugdgezondheidszorg speelde precies dezelfde discussie.'

Maar er is een groot probleem. De organisatie van de jeugdgezondheidszorg en jeugdzorg zit muurvast. Er is gebrek aan samenwerking tussen instanties. Wil Ross kinderen van 0 tot 19 jaar intensief volgen? Wie zal dat dan doen? Op het consultatiebureau, dat meestal onderdeel is van de thuiszorg, komen kinderen tot hun vierde jaar. Pas in groep 2 (kinderen kunnen dan al bijna zes zijn) gaan ze voor het eerst naar de schoolarts, die onder de schoolgezondheidzorg van de gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD) valt. 'Die breuk is voor risicokinderen funest', zegt Wulp. 'De periode is te lang. Daarnaast gaat veel informatie over kind en gezin verloren bij de overstap.'

De oplossing lijkt eenvoudig: één organisatie voor jeugdgezondheidszorg (consultatiebureaus en schoolgezondheidszorg). Dat is immers het beste voor het kind.

'De consultatiebureaus en de schoolgezondheidszorg zijn helaas meer gericht op het behoud van de eigen organisatie dan op samenwerken', zegt Wulp. Jeugdarts Anneke Bult, tevens senior-onderzoeker aan de Vrije Universiteit Amsterdam: 'Samenwerking wordt vaak gezien als verlies van eigen identiteit. Sommige gemeenten proberen de samenwerking van de thuiszorg en de jeugdgezondheidszorg af te dwingen. Dat lukt maar sporadisch. Ze blijven gescheiden werken.'

In de praktijk denken instellingen vaker vanuit zichzelf dan vanuit kind en gezin, zegt hoogleraar opvoedkunde en lid van de Inventgroep Jo Hermanns. Hij heeft een adviesbureau dat adviseert over jeugdbeleid.

Hermanns: 'Doordat er jarenlang te weinig geld gaat naar jeugdinstellingen, is iedereen gewend geraakt om vooral zijn eigen belang te verdedigen. Als je gaat samenwerken, ben je al gauw een deel van je schaarse geld kwijt. Deze gewoonte moet worden opengebroken, hoe pijnlijk dat ook is.'

Ross zegt dat ze samenwerking niet kan afdwingen. Een deel van het geld voor jeugd gaat naar gemeenten die zelf bepalen hoe zij het inzetten. Ross kan alleen hopen dat de plaatselijke wethouders het jeugdbeleid prioriteit geven. Willen de wethouders dat niet - omdat ze bijvoorbeeld liever voorrang geven aan andere voorzieningen - dan kan Ross dat niet voorkomen.

In enkele gemeenten heeft jeugdzorg wel prioriteit. Deze gemeenten proberen de samenwerking tussen thuiszorg, gemeentelijke gezondheidsdiensten en jeugdzorg af te dwingen: er wordt samengewerkt in Ouder-en-Kindcentra, (Amsterdam, Almere) of Centra voor Jeugd en Gezin (Eindhoven, Rotterdam, Almelo). Deze gemeenten lopen ook voorop met de ontwikkeling van een elektronische kinddossier, waarin alle informatie over kind en gezin wordt opgeslagen. Nieuwe hulpverleners zijn zo direct op de hoogte van de geschiedenis van het kind en het gezin. Ross is groot voorstander van de Centra voor Jeugd en Gezin. Zij zou ze het liefst in elke wijk in Nederland zien. Nadeel is dat het van de gemeenten afhangt of de centra er echt komen.

Investeren in de vroegtijdige hulp is noodzakelijk, vindt de Inventgroep. De intensieve begeleiding lijkt duur, maar is dat niet. Het spaart veel geld uit in de toekomst als daardoor zware maatregelen zoals uithuisplaatsing kunnen uitblijven.

Artsen en verpleegkundigen op de consultatiebureaus willen meer middelen als ze ook meer moeten gaan doen. Als wijkverpleegkundige Jeanne-Marie Oudshoorn tijdens een huisbezoek aan een moeder vraagt of ze vroeger misschien zelf mishandeld is, barst deze in huilen uit. Maar eigenlijk moet Oudshoorn de deur weer uit. Haar tijd zit erop. 'Dat kan natuurlijk niet', zegt ze. 'Je zit er zo een half uur of langer.'

Wulp: 'Van de ongeveer 200 euro die we per kind per jaar van de gemeente krijgen, kunnen we de standaard handelingen verrichten zoals wegen, meten, vaccineren en voedingsvoorlichting. Voor iets extra's is geen geld.'

Wulp is blij met de 50 euro per nieuwgeborene extra vanaf 2006 voor opvoedingsondersteuning. In Utrecht wordt het geld besteed aan training van de medewerkers in effectief ingrijpen. 'Maar het is te weinig om de kinderen met grote problemen op te sporen en te helpen, zoals Ross wil.'

Ross denkt dat instellingen het met het beschikbare geld kunnen doen. 'Vaak is er overlap. Door samen te werken kunnen de organisaties kosten besparen. Ze moeten hun energie niet meer steken in gezinnen waar het goed mee gaat.' De gemeenten vinden de opstelling veel te gemakkelijk. 'Ross kan gemeenten nergens toe dwingen', zegt Jan van Leijenhorst van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. 'Ze kan ze stimuleren om jeugd tot prioriteit te maken, maar dan moet ze daar wel geld voor uittrekken. Gemeenten hebben zelf best ambities, maar centra voor jeugd en gezin kosten gewoon extra geld. Zonder dat geld hoeft Ross niet te verwachten dat er straks in het hele land van die centra zijn, waar wordt samengewerkt.'