Philip Akkerman: 'Wat wij nu schilderen is troep'

In deel 10 van een serie over kunstenaars en hun inspiratiebronnen vertelt Philip Akkerman over zijn liefde voor de schilderkunst van de zestiende en zeventiende eeuw. Zelf maakt hij sinds 1981 alleen nog maar zelfportretten.

'Eigenlijk vind ik alle Noord-Europese schilderijen uit het tijdperk 1450 tot 1800 goed. Er waren in deze periode duizenden schilders en bijna allemaal zijn ze van mijn smaak. Er is niet specifiek één kunstwerk dat me voor ogen staat. Dit voorbeeld uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen is vrij willekeurig gekozen. Het is gemaakt door een leerling of een kopiïst van Joos van Cleve, een onbekende navolger dus van een min of meer beroemde kunstenaar. De naam van de schilder doet er voor mij niet toe, dat is alleen leuk voor het kunsthistorische verhaaltje. Waar het om gaat is dat het een fantastisch schilderij is.

'Afgebeeld is de heilige Hieronymus die in de bijbel zit te studeren, met om hem heen diverse vanitas-symbolen. Het schilderij ademt een sfeer die ik heel mooi vind. Het gevoel dat alles tevergeefs was. Tegenwoordig zijn er veel kunstenaars die sociaal bezig zijn. Die gekken denken dat ze de wereld kunnen verbeteren. Dat idee hadden deze oude meesters helemaal niet. Zij kenden de plaats van de mens op aarde. Vandaar die schedel die op tafel ligt. En boven het hoofd van Hieronymus staat de tekst Homo Bulla. Oftewel: de mens is een zeepbel. Volgens mij is dat precies wat ons bestaan is: een zeepbel. Die oude schilders hadden een behoorlijk pessimistisch levensgevoel. En toch maakten ze over al die dood en ellende prachtige schilderijen.

'Waarom waren zij nu zoveel beter dan wij, zo goed dat we ze nu nog steeds goed vinden? Wat is toch het geheim van de oude meesters? Vaak hoor je schilders van nu zeggen dat het te maken heeft met oliën en pigmenten. Maar dat is een bijzaak. Het heeft veel meer te maken met de techniek, die van generatie op generatie werd doorgegeven. Zij stonden op elkaars schouders, en werden daardoor steeds beter. Die cumulatie van kennis hebben wij niet meer. Iedere schilder moet tegenwoordig steeds opnieuw het wiel uitvinden. Dat vinden wij goed, want daardoor zou de kunst spontaner zijn. De verbeelding aan de macht. Allemaal onzin, als je het mij vraagt. Wat wij maken is troep, en je kan er donder op zeggen dat ze onze schilderijen over vijfhonderd jaar nog steeds troep vinden.

Effectbejag

'Een ander punt is dat de schilders van vroeger niet bang waren voor effectbejag, voor trucjes die ervoor zorgden dat de mensen hun schilderijen mooi vonden.

Wij gaan veel meer uit van de romantische idee dat alleen de kunstenaar zelf zijn werk mooi hoeft te vinden. En dat de roem pas na zijn dood komt. Maar die oude meesters moesten ervan leven. Zij hadden geen subsidies of musea. Roem en verkoopresultaten waren voor hen essentieel. Hun schilderijen moesten direct aanspreken, en daarom deden zij hun uiterste best om fantastische schilderijen te maken.

'Daarbij schilderden ze alles uit hun hoofd. Een schilderij als dit is helemaal uit de fantasie geschilderd. Er heeft nooit een meneer op die manier geposeerd. Misschien dat toen de schilder jong was, zeg een jaar of vijftien, hij tijdens zijn leerschool modellen heeft getekend. Maar daarna wist hij precies hoe spieren zich gedroegen als iemand zo'n houding aannam, of hoe plooien van de kledingstof vielen. Als hij een blonde vrouw moest schilderen, wist hij welke formule hij daarvoor moest toepassen om een prachtig, helder schilderij te maken. Bij mij zou zo'n haardos waarschijnlijk een smerige brij worden. Het voordeel was dat deze schilders artistiek helemaal vrij waren. Het zijn virtuele werkelijkheden die ze maakten. Voor De Nachtwacht hebben nooit dertig mensen zo gestaan. Dat is allemaal pure fantasie van Rembrandt geweest.

Knotsgek

'Als je nu op die manier wilt schilderen, moet je dus vooral met techniek bezig zijn. En dat vinden wij saai. Hedendaagse kunstenaars die de techniek goed beheersen maken vaak saaie schilderijen. Voor die oude meesters geldt dat helemaal niet, die waren stuk voor stuk knotsgek. Als ze een landschap schilderden, zetten ze vast en zeker ergens in een hoekje iemand neer die zit te poepen. Rare neuzen, kleine mannetjes, grove kleuren - alles is raar en vertekend in deze schilderijen. Het waren echte boeren, deze noorderlingen uit Vlaanderen, Nederland en Duitsland. De Italianen waren heel anders, veel sierlijker en esthetischer. Veel minder leuk.

'Mijn bewondering voor deze schilderijen ontstond pas toen ik zelf zo probeerde te schilderen. Pas toen ontdekte ik hoe ongelofelijk goed ze waren. Ik schilderde op dat moment als Van Gogh: à la prima in één keer zo'n schilderij opzetten, en de licht-donkereffecten en de kleuren in één handeling proberen te realiseren. Op een gegeven moment kwam ik erachter dat mijn zelfportretten toevalstreffers waren. Iedere keer had ik een plan, maar steeds kwam er iets anders uit. Ik had er geen controle over, en op een dag vond ik dat frustrerend worden. Toen ben ik intuïtief in één kleur gaan schilderen - alleen groen en wit.

'Rond die tijd zag ik bij toeval in het Rijksmuseum een oude meester hangen die half af was. Het voltooide deel was ingekleurd, en het onvoltooide deel was groen en wit. Precies zoals ik zelf ook had gedaan. Vanaf dat moment ben ik me in de techniek gaan verdiepen. De oude meesters maakten eerst een tekening, daarna een licht-donkerstudie en pas dan brachten ze de kleuren erop aan. Dat gebeurde in drie afzonderlijke sessies. Dat betekent dus ook dat je drie keer aan hetzelfde schilderij werkt, dat je je drie keer concentreert in plaats van één keer. Sinds ik dat ontdekte, heb ik veel meer controle.

'Ik ben natuurlijk van deze tijd.

Ik heb in een vliegtuig gezeten en zij niet. Zo zijn er duizenden verschillen. Maar ik beeld me wel in, soms, dat ik een leerling ben van iemand als Maarten van Heemskerck en dat ik kijk hoe hij het deed. Voor een groot deel heb ik me de techniek zelf moeten aanleren, door het lezen van boeken bijvoorbeeld. Een schilder als Otto Dix probeerde dat aan het begin van de vorige eeuw ook en heeft opgeschreven hoe hij het deed. Daar heb ik veel aan gehad. Schilderen is voor een heel groot deel praktische kennis, een set trucs die je onder de knie moet zien te krijgen. In die trucs kan je steeds beter worden. Het andere deel is de artistieke inhoud van je werk. Die wordt niet beter of slechter. Dat is het deel dat je van God of wie dan ook hebt gekregen. Dat is de inspiratie die je komt aanwaaien. Dus techniek is eigenlijk het enige, vind ik, waar een kunstenaar mee bezig kan zijn. Over de rest heb je niets te zeggen.

'Deze schilderkunst heeft me tomeloos van inspiratie voorzien. Laatst was ik in een museum in Münster, op de afdeling oude kunst. Het ene schilderij na het andere, allemaal even prachtig. Hoe kan dat toch? In hetzelfde museum was ook een vleugel voor moderne kunst. Daar wandel ik doorheen zonder de neiging om naar een werk toe te lopen.

In één oogopslag heb je een idee van de kunstenaar en van het esthetisch genoegen van zijn werk. Maar naar die oude schilderijen word ik steeds weer toe gezogen. Ik moet kijken naar die prachtige diamanten kleuren, of ik het leuk vind of niet.'

Onlangs verscheen bij Veenman Publishers, Rotterdam, het overzichtswerk '2314. Philip Akkerman, 2314 Self-Portraits'. 706 blz. ISBN 90-8690-002-X. € 75,-