Lissabon is nog heel ver weg

Europa presteert op onderwijsgebied ver onder de maat, vindt Oeso-onderzoeker Andreas Schleicher. Het groeitempo van de Aziatische landen zou alle bellen moeten doen rinkelen.Michèle de Waard

Foto boven: Koreaanse studenten buigen voor hun voorouders tijdens een godsdienstig ritueel in een park in de hoofdstad Seoel. Students wearing traditional costumes bow their ancestors during Sajikdaeje Memorial Rite at a park in Seoul, South Korea, Sunday, Sept. 5, 2004. Sajikdaeje mean the gods of earth and harvest, respectively. The religious for the two gods, called Sajikdeaje, was performed to pray for the peace and good harvest of the nation. The rite, dating back to the Three Kingdoms Period, was renewed and expanded during the Goryeo and the Joseon Dynasties. (AP Photo/Ahn Young-joon) Associated Press

Het onderwijs in Europa schiet ernstig tekort. De kwaliteit is onder de maat. Europa levert minder gediplomeerden en academici af dan Azië en de Verenigde Staten. En het onderwijs staat onvoldoende open voor de sociaal lagere klassen van de bevolking. Wil Europa kunnen concurreren als kenniseconomie dan zijn forse investeringen in onderwijs en vaardigheden van de beroepsbevolking essentieel. Dat is de conclusie van Andreas Schleicher, onderwijsexpert van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), in het rapport The economics of knowledge: Why education is key for Europe's success. Schleicher maakte het rapport in opdracht van The Lisbon Council, een onafhankelijke denktank in Brussel van wetenschappers en ondernemers, die onderzoek verricht naar de concurrentiekracht van Europa. De naam Lisbon Council refereert aan de afspraken, die de Europese politieke leiders in 2000 maakten in Lissabon om van Europa de meest concurrerende kenniseconomie in de wereld te maken.

Als onze politieke leiders studenten waren, zouden we ze een F geven voor failing, mislukken', reageerde Paul Hofheinz, voorzitter van de Lisbon Council toen hij het rapport eerder deze maand in Brussel naar buiten bracht. Europa heeft de hoogste belastingen ter wereld, regeringen hebben al jaren overheidstekorten en desondanks wordt er chronisch te weinig geld voor onderwijs uitgetrokken. Hofheinz noemde het 'ronduit immoreel om onze kinderen een wereld van toenemende internationale concurrentie in te sturen zonder ze het beste gereedschap te geven waarmee ze kunnen overleven'.

ongelijke kansen

Een van de meest opmerkelijke conclusies van het onderzoek is, dat het Europese onderwijs er nauwelijks in slaagt om het door politici beleden doel van 'gelijke kansen voor iedereen' te realiseren. Sociale achtergrond speelt een grote rol bij het bepalen van de prestaties van studenten. Dat is misschien het meest teleurstellende van Europa's onderwijsstelsel', zegt Andreas Schleicher in een toelichting op het rapport.

Schleicher geldt bij de Oeso als een topdeskundige op het gebied van onderwijs. Hij coördineert tevens het invloedrijke Pisa-programma (Programme for International Student Assessment) van de Parijs organisatie, waarin de onderwijsprestaties van verschillende Europese en Aziatische landen en de Verenigde Staten regelmatig worden vergeleken.

Waaruit blijkt dat jongeren van minder sociale komaf minder kansen krijgen?

In landen als bijvoorbeeld Duitsland, Frankrijk en Italië speelt sociale achtergrond een veel grotere rol bij de prestaties van studenten dan in de Verenigde Staten.

Duitse kinderen van hoog opgeleide ouders met zogenaamde witte-boorden-beroepen, hebben vier keer zoveel kans op de universiteit terecht te komen als kinderen van ouders die beroepen voor laaggeschoolden hebben. Ook al presteren kinderen uit sociaal zwakkere milieus op de lagere en middelbare school net zo goed als kinderen uit de betere milieus. In het Duitse onderwijsstelsel bijvoorbeeld worden kinderen al vanaf tien jaar ondergebracht bij een schooltype dat ze klaarstoomt voor een beroepsopleiding of een academische richting.'

Dat is veel te vroeg?

Uit alle internationale vergelijkingen blijkt dat de vroege selectie van schooltypes de sociale doorstroming verhindert. Bij landen die een strenge selectie op jonge leeftijd kennen tussen typen programma's en scholen, zie je over het algemeen de grootste verschillen in prestaties van scholieren en studenten. Dat geldt ook voor Nederland. Nederland kent grote verschillen tussen scholen en de spreiding van niveau is groot. Het succes van Finland en Korea wat betreft onderwijsprestaties bestaat er juist uit, dat kwalitatief goed onderwijs voor het overgrote deel van de bevolking gegarandeerd is. Dat geldt zowel voor scholen als voor universiteiten. De sociale mobiliteit in die landen is daar veel groter.

Uit het onderzoek blijkt ook dat vervolgonderwijs zoals lifelong learning, dat in Europa zo gepropageerd wordt, niet de mensen bereikt die dit het hardst nodig hebben. Mensen die hierbij het meest baat zouden hebben, zoals werklozen, laaggeschoolden of oudere werknemers, krijgen de minste mogelijkheden om dergelijk onderwijs te volgen. Dat is zorgwekkend, want deze groepen worden op de huidige arbeidsmarkt het meest bedreigd. Hun kansen op bijscholing zodat ze elders aan de slag komen blijven op deze manier minimaal.'

Vooral de grote landen presteren onder de maat. Hoe komt dat?

Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië mogen dan meer academici afleveren, maar per hoofd van de bevolking is het niveau hetzelfde gebleven als in de jaren zestig. In het geval van Duitsland is er zelfs sprake van een duidelijke daling. Het aantal hooggekwalificeerde afgestudeerden is daar zo gering, dat Duitsland binnen de Oeso-ranglijst is afgegleden van plaats 14 in 1960 naar plaats 23. Daarentegen hebben Ierland, Portugal en Spanje hun positie sterk verbeterd. De Scandinavische landen hebben het aantal studenten in het hoger onderwijs enorm weten te verhogen.

opmars azië

Schleicher: Maar vooral het tempo waarin andere Aziatische landen hun situatie verbeteren is verontrustend voor Europa. In Korea heeft vandaag de dag 97 procent van de 25- tot 34-jarigen een middelbare schoolopleiding. Het land bungelde in de jaren zestig nog onderaan de Oeso-ranglijst van universitair geschoolden, nu liggen ze met plaats 3 in de voorste linie, na de Verenigde Staten en Noorwegen. Nederland doet het op dit terrein goed en hoort bij de top-10.

Duitsland en Frankrijk, die goed zijn voor 35 procent van de Europese economie horen niet langer tot wereldleiders op het gebied van kennis en vaardigheden.'

Welke gevolgen heeft deze Aziatische inhaalstrijd?

Er zijn overtuigende bewijzen dat landen en continenten die zwaar investeren in onderwijs en vakmanschap er economisch beter van worden. Ook sociaal. Elke euro die gestoken wordt in het verbeteren van hoger onderwijs krijgt de belastingbetaler meer dan terug in de vorm van hogere economische groei. Hoe beter opgeleid burgers zijn, hoe hoger de arbeidsproductiviteit.Ierland en Korea zijn momenteel het meest productief, Nederland doet het matig, Duitsland hobbelt achteraan. Hoe kunnen Europese leiders menen dat ze zich inspannen voor groei en banen als de Europese Unie doorgaat een belangrijk deel van zijn begroting uit te geven aan landbouwsubsidies, terwijl we minder dan 50 procent per student uitgeven dan Amerika op het gebied van hoger onderwijs?

De onderwijsuitgaven in Europa blijven op alle niveaus - universitair, vervolgonderwijs, middelbare school en basisonderwijs - achter bij die van Japan en de Verenigde Staten.'

Wat kan Europa doen om het onderwijs te verbeteren?

Het onderwijssysteem zal een grote inspanning moeten leveren om aan de vraag van de snel veranderende moderne maatschappij te voldoen. Allereerst zal het schoolsysteem flexibeler moeten zijn, doelgerichter en zich open moeten stellen voor bredere groepen van de bevolking. Het opleidingsniveau van de hele bevolking moet omhoog. De tijd dat Europa kon concurreren met landen die laaggeschoold werk verrichten tegen lage lonen is allang voorbij.

particulier geld

Er moeten netwerken van topuniversiteiten en hogescholen ontstaan, die aan de vragen in de markt tegemoet komen. Daarnaast moeten universiteiten en hogescholen naast het mobiliseren van publieke gelden, particuliere fondsen werven. De geldstromen houden de bestaande machtsverhoudingen in het onderwijs in stand.

Amerika, Australië, Japan en Korea hebben hun positie in het hoger onderwijs verbeterd, vooral door studenten een deel van de kosten te laten betalen. In de meeste Europese landen leunen universiteiten veel te veel op publiek geld. De overheid vermindert de budgetten, terwijl de universiteiten tegelijkertijd niet wordt toegestaan om collegegeld te vragen.

Ook moeten universiteiten zich qua management ontwikkelen als moderne ondernemingen om duurzame financiële stabiliteit en kwaliteit van onderzoek te garanderen. In de leiding van universiteiten zouden veel meer belangengroepen vertegenwoordigd moeten zijn dan alleen de academische gemeenschap.

Kennis en vaardigheden zijn de enige sleutel voor Europa om de ambitieuze doelstelling om een concurrerende kenniseconomie te worden te realiseren.'