Liefde, God, voetbal en poëzie vormen een andere werkelijkheid

De waarheid van gelovigen en de waarheid van degenen met een wetenschappelijk wereldbeeld vertonen weinig overeenkomst. Toch kan de ervaring van God of het goddelijke wel enige aanspraak op waarheid maken.

Een biddende gelovige in een kerk biedt een wonderlijke aanblik. Hij richt zich tot een wezen waarvan alleen hij het bestaan lijkt te merken. Wie toekijkt, ziet niets dat getuigt van de aanwezigheid van méér dan die éne, tot zichzelf murmelende gelovige.

Het is alsof de werkelijkheid slechts voor de helft zichtbaar is en zich in haar totaliteit alleen maar openbaart aan wie zich overgeeft aan het gebed. Wie daarvan niet overtuigd is, kiest voor de nuchterder oplossing die in de godsdienstige overgave niet meer dan een grote illusie wil zien. Er is slechts één werkelijkheid en één waarheid, en die twee vallen in de materiële wereld restloos samen.

Die laatste opvatting is relatief jong en haar succes is gelijk opgegaan met de opmars van de wetenschappen in de westerse cultuur, waarin ze inmiddels een soort waarheidsmonopolie uitoefent. Ze wordt daarbij krachtig ondersteund door de toetsbaarheid van de wetenschappelijke beweringen en haar weldadige weigering geloof te hechten aan wat alleen in bevlogen vaagheid lijkt te gedijen.

Dat maakt het voor de religie nogal lastig haar aanspraken op een eigen waarheid te verdedigen. Het debat vindt immers bijna vanzelf plaats op de thuisbasis van haar tegenstandster, die zich in het gelukkige bezit weet van rede, argument en zelfs het beschikkingsrecht over de uitgangspunten. Het geloof in een goddelijke wereld valt per definitie buiten de werkelijkheid waarover te discussiëren valt. En daarmee is de wetenschappelijke rede ófwel discussiant en scheidsrechter in één, ófwel ziet ze het gesprek niet eens op gang komen, omdat de twee kampen elkaars werkelijkheid niet begrijpen. Aan hun respectieve waarheid komen ze dan helemaal niet meer toe.

Van het soort 18de-eeuwse discussies dat bewijst dat God niet, of in het voetspoor van een overhaast omarmd intelligent design nu juist wel bestaat, moeten we dan ook niet te veel heil verwachten. Wie iets wil begrijpen van de religieuze waarheid, kijkt beter naar wat er met de biddende gelovige werkelijk gebeurt. En het eerste dat opvalt is dat hij nu juist niet alleen is. Hij bevindt zich binnen een kerk en een traditie waarin hij zich met vele anderen verbonden weet. En het is die verbondenheid die hem doet ervaren 'op zijn plaats te zijn', in een wereld die niet - zoals de wetenschap hem voorhoudt - een verloren uithoek van het universum is. Voor de gelovige is de wereld het thuis dat hij ervaart in de gemeenschap waarvan hij deel uitmaakt.

Die ervaring, waarin een anonieme kosmos verandert in een leefbare wereld die betekenis heeft, is niet per se religieus. Ze behoort iedereen toe die heeft leren inzien dat het wetenschappelijk wereldbeeld niet samenvalt met de leefwereld. In die laatste drinken wij nog altijd water en geen H2O en zien we de zon nog steeds op- en ondergaan - ook al weten we best dat het er in het zonnestelsel eigenlijk anders aan toe gaat. Die ervaring wordt uitgedrukt in kunst, poëzie en muziek, maar laat zich ook voelen in menselijke relaties waarin liefde geen hormoonspiegel is en woede niet samenvalt met een teveel aan testosteron. Het verschil zit in de betekenis die wij daarin ervaren en die we het surplus van ons materiële bestaan zouden kunnen noemen.

Religie komt daarbij in zicht - zij het vooralsnog aan de horizon - zodra die ervaring beseft dat ze geen meester is over zichzelf. Ze kan zichzelf misschien wel opwekken, maar niet geheel maken, omdat de betekenis die zijervaart altijd iets meer is dan een sigaar uit eigen doos. Een persoon die in de wereld slechts de zin ondervindt die hij er zelf aan gegeven heeft, is waarschijnlijk het beste prototype van een solipsist. Hij kan nooit meer worden verrast, ontzet of buiten zichzelf worden gebracht van vreugde, omdat alles wat hij aan betekenissen tegenkomt een koekje van eigen deeg is. Zo'n persoon bestaat in werkelijkheid niet.

Voor godsdienst is die ervaring niet genoeg. Er is immers niemand die deze beleving niet kent, maar lang niet iedereen beschouwt zichzelf daarom als religieus. Zelfs de wetenschap opgenomen te zijn in een gemeenschap of traditie die - als een 'thuis' - het kleine model is van de grote wereld, is daarvoor niet toereikend. Ook een voetbalclub of een zangkoor kunnen die ervaring bieden - al is het repertoire waarmee zij de belangrijke levensmomenten weten vorm te geven, gewoonlijk beperkter dan dat van de godsdienst.

De materiële stevigheid van een 'huis' bieden ze echter gewoonlijk wel, en daarmee geven ze een meer solide aanblik dan de postmoderne vormen van 'solo-religie' die het andere uiterste van het spectrum vormen. Niet - of niet langer - gedragen door een gemeenschap, accentueren zij in het persoonlijke leven de overtuiging dat er 'iets' of 'meer' is dan het constateerbare - maar die overtuiging moet door de betreffende solo-gelovige geheel op eigen kracht worden opgebracht en doorgezet. Op momenten waarop het er in het leven werkelijk op aan komt aan leed en wanhoop, lijkt dat voor het solitaire individu érg veel gevraagd.

Religieus is die opvatting echter wel, omdat ze een expliciet beroep doet op een bovennatuurlijke dimensie die als echt ervaren wordt. En daarmee zijn we opnieuw terug bij de biddende gelovige in zijn kerk. Het besef in deze gemeenschap de wereld als een 'thuis' te kunnen beleven, maakt hiervan voor hem een Gods-huis. Daarin verdampt zijn verlorenheid, niet alleen door de wetenschap een plaats te krijgen in de werkelijkheid, maar, nog veel breder, in een bovenmaanse werkelijkheid die - vanuit een andere dimensie - het hele universum overhuift.

Precies op dat moment wordt de religie problematisch. Want wat is het waarheidsgehalte van dit besef, waarvoor de gelovige geen andere evidentie kent dan die van zijn eigen ervaring, hoe stevig die ook mag zijn verankerd in de ondermaanse ruimte (de geloofsgemeenschap waarvan hij deel uitmaakt) en tijd (de traditie die deze voedt)? Wat verleent hem deze evidentie, die zich op niets kan beroepen wat niet ook op andere wijze (poëzie, muziek, desnoods voetbal) kan worden gearticuleerd, en die ook voor de gelovige zelf niet helemaal vrij is van twijfel? Ook voor hem is iedere ritueel herhaalde bevestiging van de waarheid dat God bestaat, immers niet anders dan de bezwering van de mogelijkheid dat dit niet het geval is en zijnreligieuze ervaring slechts berust op een verleidelijke illusie.

Onbeslist moet die strijd altijd blijven, omdat de religieuze overtuiging nooit op dezelfde voet komt te verkeren als de wereldlijke, wetenschappelijke evidentie van Gods onzichtbaarheid. Vooral in de moderne tijd is daarom het besef ontstaan dat het woord 'bestaan' in beide gevallen niet hetzelfde kan betekenen. Als men het ten aanzien van God al wil handhaven, dan heeft het geen plaats in het universum dat wij waarnemen.

En daarmee keert de vraag naar de waarheid ervan terug naar de beleving, waarin het moet concurreren met de minstens zo evidente waarheid van poëzie, muziek, liefde - en voetbal. Als de belangeloze liefde die ik voor mijn kind voel, waar is tegen alle wetenschappelijke waarheden over 'het egoïstische gen' in, dan mag ook de ervaring van het goddelijke daarop - desgewenst - aanspraak maken. In beide gevallen blijft die waarheid echter gestempeld door de beleving waarin ze thuis hoort. Ze is daarin echt, maar wel: daarin.

Voor de gelovige is dat ongetwijfeld niet genoeg, omdat hij nog te veel de echo van het illusoire zal horen weerklinken. Voor de ongelovige is het waarschijnlijk al te veel, omdat hij de waarheidsaanspraak van de godsdienst juist in het praktische leven hinderlijk ervaart. Religie doet zich immers juist niet kennen in de vorm van een individuele en strikt private relatie van de gelovige tot zijn God.

Zelfs 'solo-religieuzen' ontlenen de inhoud van hun geloof voornamelijk aan tradities, die zich zowel in hun historische als organisatorische gestalte doen gelden. En deze betonen zich, in hun vaak weinig progressieve voorschriften, nogal onhandelbaar voor zowel de moderne maatschappij als een flink deel van hun eigen gelovigen.

Toch blijkt de religieuze waarheid veelal soepeler dan haar critici denken en vrezen. Zo absoluut en massief als ze door geloofsautoriteiten wordt uitgedragen, zo kneedbaar blijkt ze in de geschiedenis vaak te zijn geweest. Juist dankzij dat laatste is zij een traditie, niet gekenmerkt door historische onbeweeglijkheid, maar slechts door een langzamer tempo van veranderlijkheid.

Het is precies aan haar traagheid te danken dat een geloofstraditie kan functioneren als het 'thuis' waarin een gelovige zich geborgen weet.

Docent filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Volgende week verschijnt zijn boek 'Het krediet van het credo'.

    • Ger Groot