Lantaarnopsteker in Zagreb

Koud was ik in Zagreb aangekomen of de spandoeken troffen mijn ogen op een bijna gewelddadige manier: Van Gogh, Mondriaan and the Hague Painting School, of, zoals er zo mooi in het Kroatisch stond: Van Gogh, Mondrian, i haaka slikarska kola. Op het hoofdplein, over de hoofdstraat, overal wapperden lustig de beschilderde doeken met Van Gogh's zelfportret. Het was de grootste tentoonstelling sinds decennia in Kroatië, zo verzekerde men mij. Het heeft iets vreemds om duizenden kilometers verwijderd van het land waar de doeken thuishoren een visite te gaan brengen aan wat je al vaker gezien hebt. Zoiets als van je buren horen dat ze ook naar Oostenrijk gaan en daar de afspraak maken om over de aanleg van een buurtspeeltuintje te gaan praten. Maar ik ben een groot liefhebber van de Haagse School, en het is alweer enige tijd geleden dat ik in het Haags Gemeentemuseum was waar de mooiste Haagse School-collectie is. Dus liet ik me door een Kroatische kennis meevoeren naar het museum met de onuitsprekelijke naam Galerija Klovicevi Dvori.

De Galerija is gevestigd in een zeventiende-eeuws jezuïetenklooster. Dat heb ik geweten. Het was vanaf de binnenkomst alsof me de ene na de andere jezuïetenstreek geleverd werd, alleen dan geen achterbakse oplichterijen maar vrolijkstemmende deconstructies. Ik was op straat nauwelijks mensen tegengekomen. Het museum barstte uit zijn voegen van de bezoekers. Het waren echter geen toeristen, maar drommen Kroatiërs. Veel schoolklassen, van kleuters tot pubers. Aandachtige bejaarden, zwaar opgemaakte vrouwen in bontjassen, heren met hoeden, studenten in het internationale spijkerbroekenuniform, en verder ondefinieerbare burgers.

De toegangsprijs was 40 kuna, ruim vier euro, en dat moet best veel zijn voor die laatste groepen. Een docent aan de universiteit verdient ongeveer 600 euro per maand. Het museum was dan wel druk bezocht, maar toch schoven de groepen steeds weer snel op en was er alle gelegenheid om de schilderijen te bekijken. Dat was de tweede verrassing. Ik dacht dat ik de voornaamste werken van de Haagse School wel kende, voor zover die in musea zijn. Maar in Zagreb hingen wonderschone doeken die ik nog nooit gezien heb. Er waren aangrijpende doeken van Jacob Maris. Voor een vrijwel witte Anton Mauve met schapen in de sneeuw heb ik minutenlang stilgestaan. Van Jan Hendrick Weissenbruch en Theophile de Bock hing er hun beste werk. Als de vochtige lucht van Holland ooit in al zijn grijze pracht geschilderd is, dan is dat door de Haagse School. Ik herkende meteen Jozef Israels en Johannes Bosboom, de een door zijn dramatiek, de ander door zijn lichtval. Van Van Gogh hingen er slechts drie schilderijen, genoeg voor Zagreb om en masse naar de tentoonstelling te gaan. Wat me het meest frappeerde was de rode draad van de tentoonstelling, waar John Sillevis van het Haags Gemeentemuseum verantwoordelijk voor is. Hij laat zien hoe er een lijn loopt van de Hollandse Romantiek naar de Haagse School, hoe Van Gogh daar deels in past, deels op voortbouwt, en hoe Mondriaan daar dan weer op volgt via de Amsterdamse impressionisten. Mondriaan en Van Gogh niet als eenzame genieën, maar als primi inter pares.

Ik was verbouwereerd: moest ik naar Zagreb om de lijn te zien die ik eigenlijk in Den Haag had willen zien? Ik kocht de catalogus, helaas alleen in het Kroatisch te krijgen. Geheel in de ban van de Hollandse negentiende-eeuwse luchten verliet ik het gebouw. Het schemerde. Ik mijmerde nog wat na op de klinkerkeien tussen de zeventiende-eeuwse gebouwen toen ik een man zag voorbijsnellen in een zwarte mantel. In zijn handen een lange stok met een haak. Hij liep naar een straatlantaarn, tikte met de stok tegen een klep en daarop ontbrandde licht. Het duurde even voor ik me realiseerde wat ik zag. Dit is een lantaarnopsteker. Overal in de wereld ontbranden straatlantaarns op het geautomatiseerde bevel van een computer, maar in Zagreb bestaat de lantaarnopsteker nog.

Ik kreeg tranen in mijn ogen - wat ik alleen kende uit de literatuur zag ik hier in het echt. Ik moest naar Zagreb om te zien wat ik me tot dan toe alleen maar verbeeld had. Ik probeerde de man te volgen en aan te spreken, maar telkens als ik stilstond om het aanploffen van de zes gaskousjes per lamp gade te slaan, maakte hij zich uit de voeten. Hij leek op Quasimodo en Dracula tegelijkertijd, maar vooral op een schim uit een vergaan rijk. Toen donker nog echt donker was, beschikte de lantaarnopsteker over het licht in de duisternis. Wat moeten kinderen vaak over hem gedroomd hebben. Ze moeten hem vooral eng gevonden hebben, leek mij, die haastige man in de schemering met zijn magische stok Of zouden zij hem juist in de ochtend zien, als hij opnieuw door de stad zou wervelen, maar nu om het licht uit te doen?

Later op de avond concentreerde ik me op de colleges die ik zou gaan geven. Mulisch, over zijn werk zou het gaan in Zagreb, de enige stad ter wereld die met de laatste letter van het alfabet begint en met de eerste vervolgt. Op de lagere scholen leren ze tegenwoordig verplicht behalve het abc ook het zogeheten Glagolitisch alfabet. Dat is een letterschrift, ontworpen door de monniken Cyrillus en Methodius in de negende eeuw voor de vertaling van de bijbel in het Slavisch. Na het uiteenvallen van Joegoslavië hebben de nationalistische Kroaten het weer ingevoerd. Het is wel een grappig schrift, met tekens die lijken op kersen, paddestoelen, bliksemschichten en zeilboten. Ik zou het eens aan Mulisch moeten laten zien, bedacht ik, Quinten uit De ontdekking van de hemel zou het vast hebben willen leren. Ik boog me over De aanslag en Twee vrouwen. Het begon me te duizelen. Alles gaat over licht en donker in die twee boeken. Mulisch als lantaarnopsteker? Nee hoor, ik droomde die nacht niet.

De volgende dag had ik nog tijd over nadat ik aan dertig gevorderde studenten Nederlands uitgelegd had hoe nacht, duisternis, as, Charon, het schimmenrijk in de boeken van Mulisch voortdurend in oppositie staan met het licht. Ik moest maar eens naar het kerkhof van Zagreb gaan, zeiden ze, dat was het mooiste schimmenrijk dat ze kenden. Ik ging naar de begraafplaats Mirogoj. Het Zuid-Europese element van de stad viert hier hoogtij. Op graven waar de laatste dode twintig jaar geleden ingegaan is, branden nog steeds kaarsen. Alleen ben je er niet, want overal zijn wandelaars met verse bloemen op weg naar een overleden verwant. Ik geneerde me enigszins omdat ik slechts om de weemoed kwam. Daar ontbrak het niet aan. Ik zag een gebeeldhouwd kopje van een mooie jonge vrouw op een familiegraf. Ik zocht tussen de namen: Katharina Amrus-Novak, geboren tweede Kerstdag 1858, gestorven op 24 april 1877. Ze moest nog negentien worden dus. Ik ontdekte de oorzaak: Katharina Amrus, geboren en gestorven op 12 april 1877. De jonge moeder heeft het kind nog twaalf dagen overleefd. Emil Amrus, de vader, geboren in 1848, medicus en jurist, nooit hertrouwd zo te zien, gestorven in 1919. Er stonden geen bloemen, geen kaarsen op dit graf. Niemand overgebleven, niemand die op 12 april aan de vergeefse geboorte van Katharina zou denken. Ik wandelde naar de stalletjes voor het kerkhof en kocht een licht dat gegarandeerd twee weken blijft branden. Even voelde ik me de lantaarnopsteker van Zagreb.