Langdurige strijd om meer flexibiliteit

In Frankrijk is massaal protest tegen het plan om jongeren makkelijker te kunnen laten ontslaan. In Nederland willen de werkgevers juist alle werknemers makkelijker kunnen ontslaan. Hoe inflexibel is de Nederlandse arbeidsmarkt eigenlijk?

Werknemers komen via tijdelijke contracten makkelijk bij een bedrijf binnen, maar als de werkgever van een vast dienstverband af wil, duurt dat lang. (Foto Illustration Image) going to work Jupiterimages

Twee werkelijkheden. Volgens vakbondsvoorzitter Edith Snoey is de vaste baan aan het uitsterven. Bijna niemand in Nederland krijgt meer een arbeidscontract voor onbepaalde tijd, klaagt ze deze week in haar weblog, en de arbeidsmarkt is zó flexibel dat tijdelijke contracten de norm zijn geworden.

De andere werkelijkheid. Volgens de werkgevers is inflexibiliteit juist het kenmerk van de Nederlandse arbeidsmarkt. Het makkelijker kunnen ontslaan van werknemers is volgens hen nodig voor echt economisch herstel en de werkgevers hebben dat nu hoog op de politieke agenda gezet.

Als partijen met zulke verschillende wereldbeelden over hervorming van het ontslagrecht gaan praten, is het geen verrassing dat het moeizaam verloopt. De Sociaal-Economisch Raad (SER) zou afgelopen najaar advies uitbrengen aan de regering over het ontslagrecht. Maar het is nu lente, en de werkgevers en werknemers in de SER, het belangrijkste adviesorgaan van de regering, lijken verder weg van een eensluidend advies dan ooit. De komende weken moet duidelijk worden of ze er uit komen, want in mei moet het advies echt af zijn.

Hoe inflexibel is de Nederlandse arbeidsmarkt eigenlijk? Feit is dat Nederlandse werkgevers het beter hebben dan Franse. Waar studenten daar zo heftig tegen protesteren - jongeren een paar jaar op proef in plaats van in vaste dienst - kan in Nederland al jaren. Sinds de zogenoemde Flexwet, die in 1999 werd ingevoerd, kunnen werkgevers een werknemer drie keer achter elkaar een tijdelijk contract geven. Die contracten tezamen kunnen niet langer dan drie jaar duren. Wil de werkgever daarna met die werknemer door, dan moet hij een contract voor onbepaalde tijd aanbieden.

De vakbeweging, die nog steeds de vaste baan als uitgangspunt heeft, ging destijds schoorvoetend akkoord met de Flexwet. Vooral omdat zij verwachtte dat jongeren makkelijker aan het werk zouden komen, als werkgevers ze eerst tijdelijk konden aannemen. Hiermee werd gebroken met de vaste baan als vanzelfsprekendheid.

Na ruim zes jaar is duidelijk dat de Flexwet vooral de ingang tot de arbeidsmarkt makkelijker heeft gemaakt. Tijdelijke contracten dienen als opstap naar vast werk. En de wet heeft niet, zoals de vakbeweging vreesde, veel mensen langdurig tot tijdelijke contracten veroordeeld. Van alle werknemers werkt nu 15 procent op een flexibel contract, vóór de invoering van de Flexwet was dat 13 procent. Terwijl tweederde van iedereen die dit jaar een nieuwe baan krijgt, dat op een tijdelijk contract krijgt. Dat was voor de Flexwet 40 procent, blijkt uit recent onderzoek van Marloes de Graaf-Zijl van de Stichting voor economisch onderzoek van de Universiteit van Amsterdam.

Dit betekent dat de Flexwet ook gunstig is voor werknemers, omdat er veel doorstroom is van tijdelijke contracten naar vaste banen. Ruim 20 procent van iedereen die nu een tijdelijke baan heeft (inclusief uitzendwerk), heeft volgend jaar een vaste baan. Sterker nog, tijdelijk werk vergroot zelfs de kans op vast werk, zegt onderzoeker Zijl. Van alle werklozen heeft na vijf jaar 80 procent een vaste baan. Als zij tussendoor geen tijdelijk werk zouden accepteren, zou dat maar de helft zijn. Zijl noemt dit het 'springplank-effect'.

Toch is de doorstroom in de arbeidsmarkt nog niet groot genoeg, vinden de werkgevers. De toegang mag dan flexibeler zijn, maar eenmaal in vaste dienst is een werknemer moeilijk te ontslaan. De werkgevers willen dat de ontslagbescherming (zie kader rechtsboven) wordt verlaagd. Die is schadelijk voor de economie, zeggen zij. Het bedreigt de groei, en zelfs het voortbestaan van bedrijven omdat zij niet snel genoeg kunnen inspelen op schommelingen in de markt. De werkgevers vinden de versoepeling van het ontslagrecht zo belangrijk, dat voorzitter Bernard Wientjes van VNO-NCW het bij zijn aantreden vorig jaar tot belangrijkste doel van zijn voorzitterschap verhief.

Het is de vraag of die impuls genoeg zal zijn om een hervorming waar al tientallen jaren over gepraat wordt, door te zetten. Het zogenoemde duale systeem van ontslagbescherming in Nederland verdient geen schoonheidsprijs, daar is iedereen het over eens. Maar het werkt wel, zegt de vakbeweging. Werkgevers kunnen in Nederland vrijwel altijd van hun werknemers af. Dat kost ze wel geld, maar daar staat tegenover dat bonden, die met dat geld sociale plannen afsluiten, minder staken dan in buurlanden.

Volgens de Oeso hoort Nederland dan ook tot de landen met een gemiddelde ontslagbescherming, niet een starre, zoals Frankrijk. Of Wientjes de vakbond ervan kan overtuigen dat 'gemiddeld' in dit economisch tijdsgewricht niet goed genoeg is, zal de komende weken blijken.

    • Elsje Jorritsma