Kunst hoeft niet herkenbaar te zijn

Schrijvers verzinnen van alles in naam van de waarheid. En die waarheid is niet per se de meetbare - het gaat om een consistent beeld van de echte of de verbeelde werkelijkheid.

Tekening Barbara Mulderink Mulderink, Barbara

Is het begrip 'waarheid' in het gewone leven al moeilijk genoeg, voor strenge toepassing op literatuur en kunst is het totaal ongeschikt. Kort door de bocht: waarheid is een kloppende uitspraak over de werkelijkheid.

Het cliché luidt dat in literatuur en kunst de waarheid wordt gelogen. De waarheid wordt door het vuur van de subjectiviteit gesleept, in het water van leugen en bedrog gewassen, in de adem van de heilige geest te drogen gehangen. Dat maakt het speelveld voor schrijvers en kunstenaars groot.

Beeldende kunst hoeft allang niet meer te 'lijken'; die heeft zich sinds de opkomst van de fotografie losgezongen van het realisme en een geheel eigenreferentiekader geschapen. In de literatuur ligt dat anders. Het probleem van de waarheid in literatuur vernauwt zich voor veel gebruikers tot 'het echte', 'het echt gebeurde'. Knielen op een bed violen gaat voor hen niet over godsdienstwaanzin maar over de vader van Jan Siebelink. 'Waarheid' wordt synoniem met 'zelf beleefd'. De egodocumenten zijn niet aan te slepen. Daar komt nog de eis van herkenbaarheid bij: de lezer moet het zelf ook hebben beleefd of zou het moeten kunnen beleven. Een mooi boek is een mooi boek, maar als het ook nog uit het ware leven gegrepen, is het helemaal prachtig. Dat geeft zelfs aan slechte boeken een vleug authenticiteit waar de verbeelding kennelijk niet tegenop kan.

Voor het gemak even deze definitie: in literatuur wordt de taal op bijzondere wijze gebruikt om een werkelijkheid te scheppen of de werkelijkheid te beschrijven. Daarmee heb ik een kwaliteitstoets ingebouwd, fictie en non-fictie in mijn literatuurbegrip betrokken, maar gemaksromans en daagse journalistiek uitgesloten. Literaire fictie is een aparte werkelijkheid binnen onze werkelijkheid. Er liggen vanzelfsprekend verbindingen tussen beide, maar het gaat er niet om of de fictie klopt met de werkelijkheid. Alleen de innerlijke consistentie telt. Natuurlijk kan een historische gebeurtenis - al dan niet vertekend - onderdeel vormen van een roman. Ook kan een roman als werk van fictie in zijn totaliteit een uitspraak doen over onze werkelijkheid waarmee de lezer het eens kan zijn. Of niet. Dat is een kwestie van opinie. En daar gaat het volgende cliché zijn machtige werking vertonen: du choc des opinions jaillit la verité. Uit de botsing van meningen komt de waarheid tevoorschijn. Literaire non-fictie is een directe uitspraak over onze werkelijkheid, en kan dus behalve op zijn stilistische kwaliteiten ook op zijn waarheidsgehalte worden beoordeeld.

Soms ontstaat er een gat in de grens tussen de wereld van de roman en de echte wereld. Beledigt de auteur nu het gehele katholieke of joodse of islamitische volksdeel of doet zijn hoofdpersoon dat? En als zijn hoofdpersoon dat doet, wie moeten we dan aansprakelijk stellen voor de belediging ons aangedaan? Schrijvers spelen met de januskop van de literatuur, met verpakking en inhoud. Zoeken grenzen op, zoeken taboes op. In non-fictie verschijnen niet-waar-gebeurde voorbeelden ter illustratie van het betoog, in fictie wordt soms wel heel expliciet een relatie gelegd tussen de auteur en de hoofdpersoon met dezelfde naam. In de geschiedenis van de literatuur vinden we conflicten te over die te maken hebben met de fictionele waarheid: Ik heb altijd gelijk, Nader tot u, Mystiek lichaam, Bezonken rood hebben alle tot heftige discussies en soms tot processen geleid.

Fictie is een omslachtige manier om de werkelijkheid te benaderen. Het staat de auteur vrij capriolen uit te halen die in het echt niet kunnen. Ik kan mij voordoen als de eerste vrouw van Multatuli of als mijn overgrootmoeder of als een jonge zieneres ten tijde van de Franse revolutie of als een Zeeuwse slavenhandelaar. De lezer speelt het spel mee, kent de afspraken van het genre, maar wil niet belazerd worden. Het eind van Max Havelaar was daarom een schok: de auteur doorbreekt zijn zorgvuldig opgebouwde illusie van fictie en stapt zelf de tekst binnen. Onlangs waste Oprah Winfrey een jonge schrijver danig de oren, omdat hij in het boek dat hij over zijn eigen leven had geschreven (pretentie: dit is allemaal echt gebeurd) wat feiten had veranderd en aangedikt en had verzuimd dat in een eerder interview met de machtigste vrouw van Amerika te vermelden. Als romanschrijver had hij het mogen doen, als autobiograaf niet. De lezer wenst klare taal en klare wijn. Afspraken over grenzen van het genre dienen te worden nagekomen. Alles in het eigen hokje met een etiket erop. Schrijvers willen daar het liefst onderuit.

Op mijn boek Altijd Roomboter heb ik geen genre-aanduiding kunnen en willen zetten, omdat het genre totaal onduidelijk is. Geen enkele afspraak geldt, of ze gelden allemaal tegelijk, of beurtelings. Het is fictie, het is non-fictie, beide misschien wel in gelijke mate. Ik heb verschillende manieren om de werkelijkheid te benaderen met opzet gebruikt om de grenzen en de mogelijkheden of onmogelijkheden ervan af te tasten. Over het leven van mijn overgrootmoeder had ik een normale, historische roman kunnen schrijven. Een mooi, rond geheel in een min of meer traditioneel keurslijf, waarin de lezer veel over vroeger zou horen en zou meeleven met de hoofdpersoon. Wat mij daarin niet aanstond was het gemak waarmee zo'n verhaal een ingekapseld genrestuk zou kunnen worden, gewaardeerd en misschien zelfs met ontroering gelezen. De schrijver neemt een aantal kapstokken om het verhaal aan op te hangen en fabuleren maar! Het was me te beperkt. Ik had ook een familiegeschiedenis kunnen schrijven: alles waar gebeurd, alles controleerbaar en verifieerbaar. Historiografische buitenkant, hoe aantrekkelijk misschien ook verwoord. Een hoog anekdotisch 'en toen' gehalte. Iets ruimer geïnterpreteerd zou ik er de sociale en politieke geschiedenis in hebben kunnen mengen. De schrijver als verslaggever van de verleden tijd. Maar voor mij: te afstandelijk. Ik had behoefte mezelf met het verhaal te vervlechten, het hok van de fictie in en uit te vliegen, het proces van onderzoek en schrijven zelf tot een van de thema's te maken.

Aha! Het ik van de schrijver! Wees op je hoede. Het ik dat commentaar levert, dat geschiedenis schrijft, opinies en stellingen poneert en zich ook nog hult in de rokken van de overgrootmoeder. Dat wordt een hybride. Toch hoopte ik met een combinatie van verschillende technieken zo dicht mogelijk bij het 'ware' leven van mijn overgrootmoeder te komen. Waar de fictie tekortschoot moest non-fictie helpen en omgekeerd. Het is een spel met genres en posities, een spel met de waarheid. Voor lezers blijkt dat na enig wennen heel bevredigend te zijn. Bij dat enthousiasme heb ik, eerlijk gezegd, zelf enige reserve. Dat lezers meer worden aangetrokken tot de persoon Engelbertha Teljeur-Wiggelaar dan tot het personage Jacob van de Wetering uit Pelican Bay bevreemdt me. Voor mij zijn ze allebei even waar en even fictief. In laatste instantie, of het nu in fictie of in non-fictie is, ben ik altijd uit op een persoonlijk onderzoek naar waarheid, dat wil zeggen: mijn consistente beeld van de werkelijkheid of van een verbeelde werkelijkheid.

De 19de eeuw is de eeuw van de grote roman. Via de fictie leerden de lezers hun werkelijkheid duiden. Dostojevski en Flaubert verschaffen ons nog steeds toegang tot hun wereld en hun werkelijkheid. Zelfs in de geschiedwetenschap wordt nu schoorvoetend de kennis over een bepaalde periode die uit romans te halen valt, valide geacht.

Het lezend publiek in de 19de eeuw was een wijs publiek, lezers waren op de hoogte van de conventies; ze gingen niet op zoek naar het echte Thornfield Hall, maar konden uit de lotgevallen van Jane Eyre wel een ware uitspraak over de positie van vrouwen destilleren. Met een mengeling van kinderlijk geloof en volwassen oordeelsvermogen trad men de roman tegemoet als een wereld sui generis. Het ware en echte leven was duidelijk gescheiden van de papieren wereld, beide kenden hun eigen rijkdom en hun eigen wetten.

In de 21ste eeuw wordt de werkelijkheid op vele verschillende manieren gerepresenteerd via vele verschillende dragers, en niet alleen meer in welomschreven genres met eigen waarheidsaanspraken. Elke televisiedocumentaire 'vertelt een verhaal', elke soap benadert door zijn frequentie de werkelijkheid, de politiek is een rollenspel, een reality-show is pure fictie. De werkelijkheid is gefictionaliseerd. Van de weeromstuit wordt de fictie door de lezer verrealiseerd. In de baaierd van dramatiseringen zijn consumenten als detectives op zoek naar de versmalde waarheid van het echt-gebeurde, en naar de nog smallere waarheid van de herkenbaarheid. Dat is benepen. De krankzinnige eis dat literatuur moet aansluiten bij de leefwereld van jongeren, verpest in het onderwijs de status van literatuur als serieus vak. Dat levert een beperking van de ervaring op. Het is een reductie van de eigen verbeeldingskracht. Als de lezer van de literatuur een papieren equivalent van Hart van Nederland wil maken, moet de schrijver daar krachtig tegen in opstand komen door in alle genres de lof van de leugen en de verbeelding te zingen.

Schrijver, publiceerde vorig jaar 'Altijd roomboter' waarin haar overgrootmoeder een rol speelt.