'Ik schopte het filosemitisme'

De Duits-joodse schrijver Edgar Hilsenrath wordt morgen 80 jaar. De viering haalt hem uit het getto van de holocaust-literatuur. 'Ik schrijf in dialogen, en die zijn witzig.'

Helmut Braun, ‘Verliebt in die deutsche Sprache. Die Odyssee des Edgar Hilsenrath’ (Dittrich Verlag, 2005); Edgar Hilsenrath, ‘Berlin... Endstation’ (Dittrich Verlag, 2006) Edgar Hilsenrath Foto Ullstein Edgar Hilsenrath, Schriftsteller, D - 27.11.2004 ullstein

Hop, hop, hop. Zijwaarts hobbelend overbrugt Edgar Hilsenrath de korte afstand tussen keuken en woonkamer, op zoek naar cognac voor zijn gasten. De 'machine', zoals hij zijn lichaam noemt, hapert nadat hij enkele jaren geleden werd getroffen door een hersenbloeding. 'Ach, ik moet het er maar mee doen', verzucht hij. De kleine grijze man ploft neer op zijn zwartleren bank, en nestelt zich tussen boeken en paperassen. Een 'bunter Hund', zo typeert Hilsenrath zichzelf met een ironisch lachje.

Morgen wordt deze nomade van de holocaust tachtig jaar. Hij trok de halve wereld over, voortgestuwd door de drang schrijver te worden. Zijn vader keurde het schrijven af, vond dat een 'hongerberoep', maar Hilsenrath zette door. Zijn kleding is nonchalant tot onverzorgd: spencertje en een joggingbroek, die opgehouden wordt door een leren vlechtriem. Hij leest uit zijn werk voor met een bril waar maar één glas in zit. Zijn appartement in een vooroorlogse, wat slaperige, buitenwijk van Berlijn is klein, gezellig rommelig. In een hoek staat zijn onafscheidelijke Groma typemachine. Het computertijdperk is aan hem voorbijgegaan. 'Mijn vrouw dreigde altijd van me te scheiden als ik een computer in huis zou halen', vertelt hij gekscherend.

Van grote gebaren, en gevestigde intellectuele en literaire kringen heeft Hilsenrath zich altijd verre gehouden. Samen met wereldberoemde auteurs als Primo Levi of Elie Wiesel behoort hij tot de 'holocaust-auteurs', joodse schrijvers wier oorlogservaringen centraal staan in hun werk. Maar hier houdt iedere vergelijking op. Hilsenraths nihilisme, zwarte humor en dialogen die zijn boeken zo'n kracht en vaart geven, staan dwars op de werken van de intellectueel angehauchte schrijvers. De absurditeit van het kwade, dat hij in het Derde Rijk aan den lijve heeft ondervonden, bepaalde zijn keus voor het groteske, de stijlvorm die de meeste van zijn boeken karakteriseert.

Hilsenrath werd in 1926 geboren te Leipzig in een geassimileerd joods middenstandsmilieu. In 1938 vluchtte hij voor de nazi's naar familie in Roemenië. De oorlog overleefde hij in een joods getto in Boekovina. Zijn eerste roman, Nacht (1964) is een bijna naturalistische weergave van deze strijd om te overleven. Hij werkte er bijna twintig jaar aan, maar bij verschijning lieten de grote uitgevers en de Duitse lezers het boek links liggen. 'In de jaren zestig moest de jood in Duitsland als Edelmensch worden verbeeld. Maar Nacht toont de joden als dieren en daarmee schopte ik het filosemitisme tegen de schenen', zegt Hilsenrath. De hunkering naar erkenning is gebleven. Hilsenrath zal het niet makkelijk toegeven, maar het ontbrak toch ook aan slimme vermarkting van zijn romans. In Nederland, waar Nacht vroeg is vertaald (in 1966), was dat niet anders. Een echte bestsellerauteur is Hilsenrath nooit geworden.

In totaal omvat zijn oeuvre elf romans en vertellingen, veelal autobiografisch getint. Een compact maar rijk geschakeerd geheel tussen 'Grauen und Groteske'. De Duitse taal, zijn moedertaal, is hij altijd trouw gebleven. Niet voor niets heet de catalogus die recentelijk verscheen bij een tentoonstelling over zijn leven en werk Verliebt in die deutsche Sprache. Het fraai uitgegeven boekwerk verhaalt over zijn rocamboleske omzwervingen. Hij zwierf door het naoorlogse Palestina, Frankrijk en streek begin jaren vijftig neer in de Verenigde Staten voordat hij in 1975 definitief terugkeerde naar Duitsland. Uit liefde voor zijn taal: 'Ik wilde weer in een Duitse omgeving schrijven, Duits om me heen horen.' Bovendien aardde hij slecht in het materialistische Amerika. 'Ik had problemen met de vrouwen in Amerika. Je moet daar een behoorlijke beurs hebben om een vrouw mee uit te kunnen nemen.' En ook om er mee naar bed te kunnen gaan, want dat was misschien wel een nog groter probleem gelet op zijn hilarische Amerika-roman Bronsky's Geständnis (1980) die als werktitel 'de rukker' droeg.

Hilsenrath vertelt kernachtig en onderbreekt zijn bespiegelingen met lange pauzes, steekt een ultralighte R1 sigaret op of knabbelt aan een stukje chocolade. De laatste jaren leeft hij door zijn fysieke beperkingen noodgedwongen sober en in rust, omringd door boeken en met de afstandsbediening binnen handbereik. Zijn vrouw, de psychologe en schilderes Marianne Boehme, is twee jaar geleden gestorven. Ze leerden elkaar eind jaren zeventig via een briefwisseling over zijn boeken kennen. Bij hun eerste afspraak stelde hij voor een wedstrijdje te rennen. Hilsenrath: 'Maar ik scheurde mijn achillespees en kon niets meer. Zij begeleidde me terug naar Berlijn.' Vanaf die tijd zijn ze samen gebleven. Trots wijst hij ons op foto's en haar schilderijen overal in het appartement. Hij mist haar.

Zijn doorbraak naar een groter publiek in Duitsland volgde einde jaren zeventig met zijn tweede boek, Der Nazi und der Friseur (1977). In deze roman staat een dader/slachtoffer perspectiefwisseling centraal. Hoofdpersoon is een kampbeul die na de oorlog de identiteit aanneemt van een door hem persoonlijk om zeep gebrachte joodse vriend om vervolgens furore te maken als joodse vrijheidsstrijder in de jonge staat Israël. Plannen om deze satire te verfilmen zijn ver gevorderd. Hilsenrath steekt veel energie in het project. Hij vindt dat zijn werk zich goed leent voor verfilming: 'Ik schrijf in dialogen, en die zijn witzig. En er zijn geen scenarioschrijvers die mijn humor hebben.'

Langzaam maar zeker ontworstelt het werk van deze 'Pierrot des Schreckens' zich aan het literaire getto. Zijn complete oeuvre wordt opnieuw uitgegeven, de Duitse televisie komt binnenkort met een documentaire en zijn nieuwste werk komt uit. Berlin... Endstation is een autobiografische roman, waarin Hilsenrath vertelt over zijn terugkeer naar en leven in Berlijn, in zijn ogen de enige internationale stad in Duitsland. Een ander thema is de DDR, zijn angst voor deze politiestaat, die letterlijk om de hoek lag, en zijn aanvankelijke angst toen in 1989 de Muur viel en Duitsland weer zo verschrikkelijk groot was. Misschien tikt Hilsenrath na dit werk nog een bundel korte verhalen, maar zelf beschouwt hij de Berlijn-roman als zijn literaire eindstation.

Helmut Braun, 'Verliebt in die deutsche Sprache. Die Odyssee des Edgar Hilsenrath' (Dittrich Verlag, 2005); Edgar Hilsenrath, 'Berlin... Endstation' (Dittrich Verlag, 2006)

    • Niek Pas Patrick Pubben